preek 2 december 2007

Preek gehouden op 2 december 2007 in de Nieuwe Kerk te Harderwijk (eerste advent). De lezingen waren: Psalm 130 en I Johannes 1:5-2:2. Na de lezing is gezongen Psalm 130:1,3 en na de verkondiging Gezang 460:1,3,4.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Afgelopen donderdag hadden we in de Stadsdennenkerk een samenkomst met wijkmedewerkers en ds. Marius Noorloos als cursusleider. Dit alles in 't kader van het bespreken van de visienota van de PKN: Leren leven van de verwondering. De vraag was: Hoe komen wij als gelovigen (opnieuw) tot die verwondering? Wij hebben daar toen een paar grondwoorden bij bedacht, die als het ware de fasen representeren van het proces waarin het geloof zich voltrekt. Eerst is daar verlegenheid. Dan verlangen. Dan verwachting. Dan vervulling. Tenslotte is daar de verwondering.

Verlegen kun je zijn met de ontkerstening van Nederland, waar jaarlijk 60.000 mensen vervreemd raken van de kerk – meer mensen dan er wonen in heel Harderwijk. Verlegen kun je zijn met de rampspoed van mensen die getroffen worden door natuurrampen of door oorlogsgeweld. Verlegen kun je zijn met het feit dat we wereldwijd meer consumeren, dan de aarde op kan brengen. Verlegen kun je zijn met jezelf, omdat je soms schrikt van wat je gedaan hebt: je neigingen, begeerten of de verkeerde gedachten die bij je opkomen. En al die verlegenheid roept dan een verlangen in je op, verlangen naar een oplossing, naar een stuk verlossing. Verlossing uit de nood.

Waar verlangen nog diffuus is en ongedifferentieerd, daar is verwachting al meer omlijnd. Als je iets of iemand verwacht, dan is 't al min of meer concreet, worden er contouren zichtbaar. In 't Oude Testament komt de verwachting op van de Messias. Dat verlangen naar heil, die verwachting van de Messias, wordt dan vervuld in Jezus Christus. En wie de verlossing van Christus gezien heeft en doorleefd heeft verwondert zich. "Komt verwondert u hier mensen. Ziet hoe dat u God bemint." Leren leven van de verwondering. Het is weer advent. Wij verwonderen ons over de komst van de Zoon in onze wereld.

Het is al een heel oude traditie dat er in de adventstijd gepreekt wordt uit het Oude Testament. Het Oude Testament is zo materieel, zo levensecht, zo concreet menselijk. Door al die mensenlevens en geschiedenissen heen maakt een verlangen zich sterk naar verlossing. Het Oude Testament is het boek van de verwachting: profeten die hopen op het heil van God; Psalmdichters die getuigen van hun hoop en verwachting. Neem nu de 130ste psalm. Daar komt de dichter vanuit de verlegenheid tot een stuk hoop en verwachting. Hij strekt zich uit naar God. "Ik verwacht de Here. Mijn ziel verwacht en ik hoop op zijn woord." Vers 5.

In zekere zin is Psalm 130 een adventspsalm. Uit de psalm spreekt het sterke verlangen naar Gods komen in onze werkelijkheid. Als de dichter spreekt over de diepten, zal hij gedacht hebben aan waterdiepten, het gebied van de dood en van de God-verlatenheid. Daaruit is geen terugkeer mogelijk, zoals Jona die riep tot God vanuit het ingewand van de vis. In onze moderne bewoordingen spreken we dan over de existentiële nood, de bestaansnood van mensen. "Here, hoor naar mijn stem, roept de dichter." Als wij vandaag met de moderne schrijvers en filosofen spreken over bestaansnood – waar denken we dan aan? Aan ziekte, sterven moeten, verdriet, psychische nood, bedreiging door vijanden of anderszins, materiële nood, verlies van zingeving etc. 't Is opmerkelijk dat de dichter van Psalm 130 spreekt over ongerechtigheid en zonde. Dat zijn we in onze moderne tijd niet meer zo gewend. "Heer, als u terug blijft denken aan mijn ongerechtigheden, mijn zonden, dan kan ik niet bestaan!" Is dat misschien niet de diepste nood van ons bestaan? De zonde.

De dichter is zo overtuigd van zijn zondig bestaan, dat hij niet eens direct om vergeving durft vragen. 't Klinkt als een verzuchting: Heer, maar bij u is vergeving. Tegelijk is de dichter echter zeker van de toezegging van Gods genade. De bijbel is vol van die belofte. We denken aan de wetgeving (Ex 20) waar God zegt barmhartig te zullen zijn voor duizenden van wie Hem liefhebben (zie ook Ex. 34:7). We denken aan Jesaja 1:18 "Laten we tezamen richten. Al waren uw zonden rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol." Of Jeremia 50:20. Als het oordeel over Babel is gegaan, zal er tevergeefs naar de ongerechtigheden van Israël gezocht worden, want de Here schenkt vergeving aan wie overgebleven zijn. En dan is daar dat onvergetelijke slot van het boek Micha, dat ik vroeger op catechisatie uit mijn hoofd moest leren: "Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat, die zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een welbehagen heeft in goedertierenheid! Hij zal Zich wederom over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertreden, Ja, Gij (Nu wordt God direct aangesproken: niet Hij maar Gij) zult al onze zonden werpen in de diepte van de zee. Gij zult trouw bewijzen aan Jakob, goedertierenheid aan Abraham, gelijk Gij van oude dagen af aan onze vaderen hebt gezworen (Micha 7:18-20). De dichter van Psalm 130 vat heel dit bijbels getuigenis samen in vers 5: Ik verwacht 't van Hem en hoop op zijn woord.

De dichter weet overigens maar al te goed dat Gods vergeving geen hoofdkussen is, waarop ons geweten kan inslapen (Noordtzij) of een artikel waarover we beschikken kunnen en van uit kunnen delen. Het blijft Gods eigen vrije soevereine genade, dat Hij ons vergeeft. Bij God is vergeving, opdat Hij gevreesd worde! En dat geldt niet voor de dichter alleen, maar voor het hele volk: heel Israël.

Toen aan Luther eens gevraagd werd welke psalmen hij het mooiste vond, zei hij: de paulinische psalmen. Dat was gekscherend bedoeld, want Paulus schreef geen psalmen en zeker niet in het Oude Testament. Luther dacht daarbij echter aan de psalmen waarin Gods vrijmachtige genade tot uitdrukking komt, zoals Psalm 32, 51, 130 en 143. Psalm 130 was de favoriete Psalm van Luther. Hij maakte er een mooi gezang van en componeerde zelf de melodie: Aus tiefer Not schrei ich zu dir.

Iets waar bijna alle uitleggers aan voorbijgaan is het opschrift van de Psalm: een bedevaartslied. Toen de Psalmen gebundeld werden hebben ze Psalm 130 opgenomen in de kleine verzameling pelgrimsliederen – Psalm 120-134 ('t pelgrimsliedboekje). Sommigen staan in het geheel niet bij dat opschrift stil en zeggen dat de psalm in de tempelliturgie gebeden werd bij het altaar als een bede om vergeving. Toch is het zo gek nog niet om de Psalm als een pelgrimslied uit te leggen. Dat pelgrimeren versterkt 't verlangen, de verwachting om Gods verlossing te zien. We staan als het ware op de uitkijk. We zien ernaar uit als wachters op de morgen. Ook Jesaja maakte van dat beeld gebruik: Wachter wat is er van de nacht? Reikhalzend uitzien.

In de afgelopen week las ik een prachtig geillustreerd boek over pelgrimswegen in de Middeleeuwen. Mensen getroostten zich veel moeite en maakten lange reizen vol ontberingen om naar Jeruzalem te reizen, of Rome of Santiago de Compostella. Al die pelgrimswegen worden nieuw ontdekt in onze tijd – vanwege de spiritualiteit van het wandelen. Zijn wij bereid om op reis te gaan en Gods vergeving te zien? Laten we de komende vier weken op bedevaart gaan naar Bethlehem. Aan het einde van die reis zullen we Jezus zien. Hij leert ons Gods vergeving. Meer nog: Hij ís Gods vergeving. Bij Hem wordt ons verlangen vervuld en zullen wij ons verwonderen over Gods genade. Hij is 't die ons – zoals de briefschrijver Johannes zegt – weghaalt uit de duisternis van de zonde en ons laat wandelen in het licht.

Het is misschien een wat confronterende boodschap vandaag. Vanuit alle verlegenheid en nood zoekt onze wereld naar oplossingen voor de problemen. We vertrouwen daarbij op de wetenschap, op goede wil, op creativiteit of politieke integriteit. Maar de bijbel zegt: Begin maar bij jezelf – de zonde die je begaan hebt en steeds weer doet. Dat is je diepste nood. Pas als er vergeving is en als wij ook anderen hun schuld vergeven (Onze Vader…) dan komt er sjalom en maken wij met Gods hulp voor elkaar de hemel op aarde. De boodschap van schuld en vergeving. Beginnen bij de verootmoediging en de belijdenis van schuld. Dat willen wij misschien niet horen, maar toch ligt hier het geheim. Maak de bedevaart naar Bethlehem en je zult je verwonderen. "Komt verwondert u hier mensen. Ziet hoe dat u God bemint." Amen.