Preek gehouden op zondag 27 januari om 19.00 uur in de Veldkampkerk te Harderwijk. Lezing: Habakuk 3 (en Habakuk 2:4). Gezongen na de lezing: Psalm 77:3,5,6 en na de verkondiging: Gezang 448:1,2,4.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Waarom vanavond Habakuk? Ik heb voor deze lezing gekozen, omdat de situatie van Habakuk en de onze zo sterk op elkaar lijken. De tijd waarin we leven. Wat er gebeurt om ons heen. We willen vanavond een beetje – zoals Kierkegaard dat noemt – gelijktijdig worden met Habakuk. Wat kunnen we van hem leren waar het gaat om de rampspoed en problemen van onze tijd? Laten we daarom gaan kijken met wie we van doen hebben en wat zijn boodschap is. En dan beginnen we met zijn naam. Dat is dan ook gelijk alles wat we van hem persoonlijk weten: dat hij een profeet was en Habakuk heette.
De naam Habakuk betekent ‘basielkruid' (basilicum), een tuingewas waaraan geneeskrachtige werking wordt toegeschreven. Meisjes werden in Israël wel naar een plant of boom genoemd. Tamar bijv. betekent ‘palm' en Susanna betekent ‘lelie'. Maar om een profeet nu naar een tuingewas te noemen is wat vreemd. De naam past ook niet helemaal bij hem. Een andere uitleg gaat uit van een werkwoord dat ‘handen vouwen' of ‘omarmen' betekent (חָבַק). Daar kunnen we misschien wat meer mee. Dan zou Habakuk degene zijn die de ander liefdevol in de armen sluit. Laten we het daarop houden.
In het boekje van drie hoofdstukken wordt over de Chaldeeën gesproken. Dat zijn de Babyloniërs. Er zijn geen reminiscenties aan de verwoesting van Jeruzalem. We vermoeden daarom dat Habakuk zo ongeveer rond het jaar 600 voor Christus leefde. Een tijdgenoot van Jeremia. Hij heeft echter de val van Jeruzalem in 586 niet meegemaakt. Het was de tijd waarin de Assyriërs hun macht verloren en de Babyloniërs in opkomst waren.
Die machtspolitieke verhoudingen bepalen het thema van het boekje Habakuk. Voor alles vraagt de profeet naar het ‘waarom' van al dat machtsvertoon, onrecht, verdriet. De ellende die over het land gebracht wordt. Al die veldslagen en plundertochten. Israël en Judea hebben er ook van te lijden gehad en de profeet het wellicht aan den lijve ervaren.
"Hoe lang nog moet ik om hulp roepen" zegt hij. "Ik zie slechts verwoesting en geweld!" "De wet wordt niet nageleefd." "Het recht krijgt niet langer zijn loop." "U bent toch de Here (1:12)?! Van oude tijden af!" Hier wordt de naam van de Bondsgod genoemd en gerefereerd aan de verbondsluiting op Sinaï. "We zijn toch uw volk. Als u echt de Heilige bent, hoe kunt u dan het onrecht nog langer aanzien? Waarom kijkt u toe zonder er iets aan te doen?" In hoofdstuk 2:1 zegt Habakuk: "Ik zal gaan staan op mijn wachtpost en dan wil ik wel eens zien wat U mij te zeggen hebt op mijn klacht." Dat klinkt een beetje uitdagend, maar Habakuk is ook echt ten einde raad.
God, daartoe uitgenodigd, laat niet lang op zijn antwoord wachten. Hij zegt tegen Habakuk: "Schrijf het maar op een paar gedenkplaten, tabletten van steen, zodat je er steeds aan herinnerd wordt". "Wie opgeblazen doet en geen oprechte ziel in zich heeft, stelt niets voor. De rechtvaardige zal echter leven door zijn trouw, zijn vertrouwen." De Here zal het kwaad straffen, maar wel op zijn tijd en zijn wijze. Vijf maal roept God het oordeel uit over de onrechtvaardigen: de dief en plunderaar, degene die zijn huis bouwt van gestolen goed, degene die bloed vergiet, degene die een ander verleidt tot het kwaad en de afgodendienaar. Het vijfvoudige ‘wee' van Habakuk 2.
En God zal het ook doen! Daarover gaat het in Habakuk 3 – het gebed van Habakuk, of beter de hymne van Habakuk. Hij beschrijft de theofanie (Godsverschijning) van God en doet dat in mythologische beelden, waarbij we bedenken moeten dat hij 2500 jaar geleden leefde. God komt uit de richting van Sinaï, waar Hij zich het eerst op Horeb openbaarde. Hij komt door de landstreek van Teman en gaat door de woestijn van Paran. De bergen waar hij zijn voeten zet verbrijzelen onder zijn gewicht. De aarde splijt open en de wateren uit de diepte (uit de oer-oceaan; tehoom) gutsen naar buiten als bloed uit een wond. God schrijdt door Moab aan de grens van het land Kanaän. De volken beven. De tentkleden van de nomaden klapperen van angst. Gods heerlijkheid is als de zon, waar je niet tegenin kunt kijken. Zo verhult Hij zich in zijn kracht. Hij staat op een strijdwagen en richt zijn pijlen. Hij neemt het op tegen de chaos-macht van het water. Het is kosmisch geweld. De zon vergeet op te gaan. De maan houdt het voor gezien en blijft in haar schuilplaats. Zo komt God zijn volk te hulp. En het huis van de Chaldeeën wordt van de nok tot het fundament toe verwoest. God rijdt over de zee en vertrapt de vijand. Een herinnering aan Exodus, de Schelfzee, de Farao.
Als 't tot Habakuk doordringt wat God gaat doen, staat hij te trillen op zijn benen. En dan komt hij met een belijdenis: "Heer, ik zal wachten op wat U gaat doen." "Uw dag van het oordeel." "Ik weet dat U 't laatste woord heeft en daarom zal ik alle onrecht en ellende verduren – ook al bloeit de vijgeboom niet en is er geen wijn en geen oogst op het veld en geen rund in de stal." "Ik zal juichen, want de overwinning is aan U."
De vraag is nu wat dit bijbelgedeelte ons te zeggen heeft. Het is erg oud – een stuk godsdienstige beleving van ruim 2500 jaar geleden. Het is nog de vraag of hoofdstuk 3 van Habakuk zelf is. Het is een psalm. Dat kun je zien aan het drie maal herhaalde ‘sela' en de toevoeging ‘voor de koorleider'. De psalm is waarschijnlijk later toegevoegd. In Qumran, waar de dodezeerollen gevonden zijn, kwam een boekje Habakuk te voorschijn met twee hoofdstukken! De tekst is niet onbeschadigd tot ons gekomen. Sommige verzen zijn niet of nauwelijks te vertalen (bijv. vers 14). Het is een wonder dat de vertalers er nog zoveel van hebben kunnen maken. En het geheel is nogal mythologisch gekleurd: God springt van de Sinaï af. Als een soort titanenzoon. En als een ordinaire krijgsgod slaat hij alles kort en klein. Toch heeft de synagoge en later ook de kerk dit boekje in de canon – de lijst van gezaghebbende boeken – opgenomen, omdat het een boodschap heeft die we ernstig nemen moeten.
Wij spreken niet meer zo mythologisch over God. Als we echter door die mythologische beelden heenkijken, begrijpen we wel degelijk wat Habakuk bedoelt. God is een heilig God. Hij kan het onrecht niet aanzien. God is een God van orde en niet van chaos. Hij rijdt over de golven en overwint de chaosmacht. In de tijd van Habakuk was er een babylonisch scheppingsverhaal (Enuma elisj) waarin de zee als het choasmonster wordt voorgesteld! God grijpt in op zijn tijd, maar de vergelding zal er zeker komen. De onrechtvaardige is enkel opgeblazenheid, een windbuil. Er blijft niets van hem over. De rechtvaardige daarentegen heeft bestand. Hij zal leven, want hij is trouw. Hij heeft vertrouwen (2:4).
Het woord dat hier in Habakuk gebruikt wordt, is ‘emoenah' (×Ö³×ž×•Ö¼× Ö¸×”) Dat wordt later door Paulus aangehaald in het Nieuwe Testament. Hij noemt het ‘geloof' (πιστις). Daar wordt het door hem heel theologisch en specifiek gevuld. Hier betekent het (gewoon) ‘vertrouwen'. Het is je vastigheid zoeken in de Here… jezelf vastmaken aan de Here! Het woord hangt samen met het werkwoord aman (×מן)dat ‘zeker zijn' betekent. Als je op God vertrouwt, zul je ‘blijven'.
Er is er één die de grote held was van dit emoenah-geloof. Dat was Jezus. Hij heeft levenslang gewacht op God. Voor hem was er geen bloeiende vijgenboom, maar een ruwhouten kruis. Hij heeft gewacht op God, ook toen het donker werd. Toen hij het hoofd boog. Toen hij zijn geest gaf in de handen van de Here. En Habakuk zegt: Wie vertrouwt op God zal leven. En God heeft gezegd: Jij zult leven ook al ben je gestorven.
Ik hoef niet langdurig in te gaan op al het onrecht en machtsmisbruik in onze tijd. Ook wij roepen wel eens vertwijfeld: "Waarom?" Het kost ons niet zo veel moeite om gelijktijdig te worden met Habakuk. Laten we zijn levensprogram overnemen: Trouw zijn en vertrouwen! Wachten op Hem. Blijven geloven dat de Here het laatste woord heeft. Dat is de levensstijl van de gelovige, van Habakuk en van Jezus – Jezus die dood geweest en die leeft. Jezus die ons meeneemt in zijn overwinning. Die komen zal om te oordelen en om nieuw te maken. Daarom zullen wij dansen en juichen – zoals Habakuk.
Nog eens zal hij verschijnen
als rechter van 't heelal,
die 't hoofd van al de zijnen
voor eeuwig kronen zal.
Nog is die dag verborgen,
wacht hem gelovig af,
terwijl de grote morgen
reeds schemert boven 't graf.
Amen.