Preek gehouden op 5 oktober 2008 in de Stadsdennenkerk te Harderwijk over Ezechiel 9 en Openbaring 22:1-5. Het was Israelzondag. Na de lezing is gezongen: Gezang 279:1,3,6,7 (Liedboek) en na de verkondiging het Apostolicum.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Wie was Ezechiël? Hij vertelt het ons zelf in het eerste hoofdstuk van zijn boek. Hij was een Israëliet in de Babylonische ballingschap, die leefde in de gemeenschap van ballingen aan de rivier de Kebar. Ver weg van Jeruzalem en na de verwoesting van de stad.
Ezechiël had visionaire, profetische gaven. Op een dag denkt hij terug aan de tijd dat de tempel er nog was. De tijd van voor de verwoesting door Nebukadnezar, voor het jaar 586 voor Christus. Het gaat aan zijn geestesoog als in een visioen voorbij. En hij wordt er niet vrolijk van. Er is veel afval van de God van Israël. In hoofdstuk 8 doet hij daar een boekje over open. Er staat een afgodsbeeld aan de noordzijde van de tempel met een altaar daarbij. In het geheim is er een mysteriecultus met voorstellingen op de muur die bewierookt worden. Occulte praktijken. Het sterven en opstaan van de vegetatiegod Tammuz wordt beweend en bejubeld. Dat is een verheerlijking van de vruchtbaarheid. Tegenwoordig zouden we spreken van de productiviteit. Er zijn er ook die met het gelaat naar het oosten de zon aanbidden. En dat gebeurt allemaal in en rondom de tempel.
De Israëlieten hebben in de tijd vlak voor de ballingschap de Here God behoorlijk vergeten en zelfs verloochend. Het is zelfs zo erg, dat God niet langer in de tempel wil blijven wonen. Zijn heerlijkheid verheft zich van zijn troon, de ark van het verbond met de beide cherubs en gaat naar de drempel van het tempelgebouw. Daar roept God als een soort bevelhebber een zevental figuren in mensengedaante tot Zich. Het zijn dienaren. Misschien kunnen we ze nog het beste als engelen zien. Ze gaan Gods wil volbrengen.
De belangrijkste is een gedaante in linnen gekleed met een inktkoker en schrijfgerei aan zijn gordel. Hij wordt geflankeerd door zes verderfengelen die ieder een knots hebben om mee te doden. De gedaante in linnen heeft de uitstraling van een aanzienlijk mens. De priesters in die tijd waren bijv. in linnen gekleed. Die man in linnen is een priesterlijke gestalte.
Het bevel van de Here is kort: De man in linnen moet door de stad gaan te beginnen met de tempel. Alle mensen die verdriet hebben over de gang van zaken moet hij merken met de letter tau op hun voorhoofd. De letter tau of t werd in Ezechiëls tijd geschreven als een liggend kruis (dus x). Ik heb de ontwikkeling van de letter t laten afdrukken op de zondagsbrief.

Wij gebruiken een kruis ook wel als een handig merkteken: aankruisen. Ze hebben deze week bomen gerooid aan de Newtonweg. Ik zag dat de te rooien exemplaren waren gemerkt met een rood kruis.
Ezechiël vertelt ons dus over het oordeel van God over Jeruzalem. De verderfengel gaat rond. Gespaard blijven degenen die gemerkt zijn door de priester met een kruis op hun voorhoofd. Het zijn degenen die niet meedoen aan de afgoderij, maar zuchten onder het onrecht en de afval van God.
Het is in meerdere opzichten een opmerkelijk schriftgedeelte – Ezechiël 9. God is een rechtvaardig God. We schrikken misschien wat van de hardheid en de hoekigheid van die woorden: doden zonder medelijden te hebben, maar God brengt scheiding aan! Hij scheidt het goede van het kwade, de goeden van de kwaden. Hij begint bij de tempel. Van ouds is het heiligdom altijd een vrijplaats geweest voor mensen als de nood aan de man kwam, maar dat geldt nu niet meer. God staat al op de drempel van de tempel. Hij wil er niet eens meer wonen. Gods oordeel is streng, maar Hij is niet onrechtvaardig. Daar is de man in het linnen, de priestergestalte met het kruis. Hij merkt de ‘rest van Israël' – degenen die weigeren om mee te doen en gespaard blijven. Ezechiël werpt zich neer en bidt voor het volk, zoals eens Abraham bad voor Sodom en Gomorra. En het antwoord dat hij krijgt: de priester in linnen en de kruistekens op de voorhoofden. De mensen met de tau blijven gespaard. De verderfengel mag hen niet eens aanraken. Zoals de Israëlieten in Egypte veilig waren achter de met bloed bestreken deurposten of degenen in de woestijn die de blik gericht hielden op de koperen slang op de staak.
Het is vandaag Israëlzondag. Daarbij gaat het om de verbondenheid tussen kerk en Israël. Onze lezingen van vanmorgen maken wel duidelijk hoezeer wij het Oude Testament nodig hebben om te kunnen verstaan wie Christus is. Zonder Israël zouden wij er niets van begrijpen. We zien bij Ezechiël de gestalte van de Redder, de Messias opkomen. De gedaante van de schrijver met de letter tau. De priester met het liggend kruis. Die Redder is ook gekomen in Jezus Christus. Zijn kruis werd opgericht op Golgotha. Degenen die door hem gered worden, dragen zijn merkteken. In het boek Openbaring wordt het merkteken op de voorhoofden diverse malen genoemd. Bijv. in Openbaring 22 waar staat dat de Naam van God op hun voorhoofden zal zijn.
God is rechtvaardig maar ook barmhartig. Midden in de chaos van deze wereld, midden in het oordeel dat over ons heengaat, is daar de priestergestalte in linnen. Daniël zag hem als de mensenzoon – de Redder die ons door God Zelf gegeven wordt!
Paul Benedictus XVI heeft een mooi boek over Jezus geschreven. Hij legt een verband tussen de zaligsprekingen en degenen in Ezechiël 9 die zuchten en steunen en het tau-teken ontvangen hebben. Al die vervolgden en vredestichters, die barmhartigen en zachtmoedigen zijn ook degenen die treuren: "Zalig die treuren want zij zullen vertroost worden." Ze zullen Gods Koninkrijk zien! Ze zullen kinderen van God genoemd worden!
Die opmerking van de paus helpt ons om de vertaalslag te maken naar de actualiteit. Ezechiël 9 is interessant: historisch interessant als je ziet wat er gebeurde vlak voor de verwoesting van Jeruzalem; taalkundig interessant als je er achterkomt dat de letter t, de laatste letter van het hebreeuwse alfabeth als een x geschreven werd; theologisch interessant als je ziet dat de Christusfiguur al in het Oude Testament opkomt – in het boek van de verwachting. Maar interessant is niet genoeg. De boodschap moet actueel zijn en relevant voor vandaag.
Relevant wordt het als we ons afvragen of we wel wat hebben met die tweede zaligspreking: Zalig die treuren. Er waren er in Jeruzalem die zuchtten en kreunden, die jammerden en klaagden. Wordt dat ook bij ons wel gehoord? Die klacht over dingen waar we verdrietig over zijn en waar we ons verre van houden… waarvan we denken: Daar wil God niets van weten en niet bij zijn. Zijn wij wel dragers van het merkteken? We zijn dan misschien gedoopt en dragen het zegel van Gods trouw op het voorhoofd. Maar dat zegt niet alles. Ons leven moet er ook wel naar wezen. De katholieken bekruisen zichzelf – een teken dat ze hun leven en hun lichaam heilig willen houden en geen deel willen hebben aan dingen die mens-onterend of God-geklaagd zijn.
Volgende week vieren wij het heilig avondmaal. Deze viering valt samen met de zondag van het werelddiaconaat. Trekken wij ons de nood van de wereld wel aan? – dat er mensen zijn die met hun kinderen aan tafel zitten achter een leeg bord, terwijl de rijken en brutalen er met de bonussen vandoor gaan. Wordt er in de gemeente wel gejammerd en geklaagd omdat het Koninkrijk nog zo ver weg is? Zijn we echte werkers aan de vrede, bedrijvers van barmhartigheid, zoekers naar gerechtigheid? Verzetten we ons wel genoeg tegen zaken die Godslasterlijk en dus mensonwaardig zijn?
Eens zal blijken of Gods Naam op onze voorhoofden is, of de man van het tau-teken bij ons langs geweest is en ons gemerkt heeft met een kruis. Amen.
Literatuur: Joseph Ratzinger / Benedictus XVI, Jezus van Nazareth, Lannoo 2007, p. 100