Beter een goede buur…

Beter een goede buur (art. Wijkkrant juni 2012 – Stadsdennen)

Waar komen de woorden buurt en buurman vandaan? Het Middelnederlands is de voorloper van onze moderne Nederlandse taal en werd gesproken tussen ongeveer 1200 en 1500. Toen heette de buurman de gebuur. Het voorvoegsel ge- heeft de grondbetekenis van ‘samen' en buur hangt samen met (be)bouwen. Vgl. ‘boer'. De buurman is dus eigenlijk iemand met wie je samen een huis bouwt of de grond bebouwt. De geschiedenis van onze woorden kan ons heel veel leren. De buurman of buurvrouw is van oorsprong niet domweg iemand aan de andere kant van de tussenmuur of iemand op nummer zoveel van de straat. Het is iemand met wie je iets ‘samen' hebt. Mensen zijn op elkaar aangewezen. Ze hebben elkaar nodig. Alleen als je het woordje ‘samen' serieus neemt heb je een samen-leving. Je hebt elkaar nodig om te overleven en de gevaren van dit bestaan het hoofd te bieden. Wat dat betreft hebben we er in de taal een mooi woord bij gekregen namelijk polderen. Echt Nederlands! Samen pompen en met zandzakken sjouwen om droge voeten te houden. Over vijfhonderd jaar kijken de mensen weer in hun woordenboeken om te zien waar dat woord polderen ook al weer vandaan kwam. In de bijbel staat een mooie spreuk (in Spreuken 27:10): "Beter een buur dichtbij dan een broeder veraf." Dat is zeer zeker waar. Ik heb een ouwe (studie)vriend die ik zo nu en dan bel of schrijf. Dat is allemaal mooi en aardig. Maar mijn buurman is iemand met wie ik iets samen heb – iemand met wie ik samen bouw. Bouwen aan de leefomgeving. Ik wens u daar succes mee.