Preek op Kerstmorgen in de Stadsdennenkerk te Harderwijk, 25 december 2008. De lezingen: Lukas 2:1-14 en Filippenzen 2:1-11
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Het ons vanouds bekende Kerstevangelie begint bij Lukas met een verwijzing naar keizer Augustus: "Het geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus dat het gehele rijk moest worden ingeschreven." Lukas geeft het geboorteverhaal een historische setting door keizer Augustus te noemen. Hij doet dat met opzet. In de eerste plaats, omdat hij geïnteresseerd is in geschiedenis. Hij schreef per slot van rekening ook de Handelingen der Apostelen en dat is zoals we weten het eerste stukje kerkgeschiedenis – een klein geschiedenisboekje van de allervroegste kerk. Maar Lukas had nog een tweede weloverwogen doel met het noemen van keizer Augustus. Daarmee zet hij namelijk twee figuren tegenover elkaar, die elkaars tegendeel zijn: Jezus en de keizer van Rome.
Augustus, dat betekent ‘de verhevene', was de eerste keizer van Rome en dat betekende in die dagen zoveel als de hele wereld. Ik fris graag onze kennis van de algemene geschiedenis een beetje op. Augustus was een familielid van Julius Caesar (zijn adoptiefzoon) en heette eerst Octavianus. In het jaar 31 voor Christus versloeg hij in de slag bij Actium zijn rivaal Antonius, die het met Cleopatra hield en hij werd toen alleenheerser van het immense wereldrijk van de Romeinen. Veertig jaar lang tot hij stierf in het jaar 14 na Christus.
Nu moeten we niet gering denken over de politieke prestaties van deze man, die zichzelf noemde naar Caesar: de keizer… en die absolute macht had. Hij bracht een periode van welvaart en vrede die de wereld tot dan toe niet gezien had. Die periode staat bekend onder de naam Pax Romana, de Romeinse vrede. Er was een prachtig wegennet – goed voor de handel, de infrastructuur en het bestuur. Er was ook een bloeiend cultureel leven.
Geen wonder dat deze man al tijdens zijn leven als een god vereerd werd. Er is een inscriptie bekend uit die tijd, waarop te lezen staat: Goddelijke Augustus Caesar, zoon van god, bevelhebber over land en zee, weldoener en redder van de hele wereld.
De bijbel leert ons echter op bijkans iedere bladzijde dat we mensen en dingen niet tot God mogen verheffen. Dan worden het afgoden en dan ligt de demonie voor de deur. Een goddelijke keizer wordt een demon. De demonie van de macht.
Wat velen vergeten, is dat Lukas zijn evangelie schreef rond het jaar tachtig na Christus. Hij had toen al heel wat gezien van dat keizerschap. Na Augustus kwam Tiberius, die op Capri ging wonen, in weelde leefde, het bestuur aan een ander overliet en door Tacitus beschreven werd als een tiran. Na hem kwam Caligula, die extreem jaloers, sadistisch en onvoorspelbaar was. Hij trouwde met zijn zusters (zoals ook de Farao deed) en wilde dat er een afgodsbeeld van hem in de tempel te Jeruzalem zou worden geplaatst. Slechts met grote moeite wisten de Joden dat te voorkomen. Na hem komt Claudius die wordt vergiftigd en opgevolgd door Nero. En wat die Nero allemaal op zijn geweten heeft, hoef ik u niet allemaal te vertellen. Waarschijnlijk heeft Lukas ook nog meegemaakt dat de tempel in Jeruzalem door de Romeinen verwoest werd. Dat klinkt allemaal mee als hij schrijft ‘in die dagen van keizer Augustus'.
Tegenover Augustus, de Verhevene, die zichzelf de redder van de wereld liet noemen staat een andere Redder namelijk Christus de Heer. Hier is niet een mens, die zichzelf als God laat vereren. Hier is God Zelf, die in de gestalte van een mens zichtbaar wordt. Of om nog preciezer te zijn: in de gestalte van een dienaar.
In de Adventstijd hebben wij Filippenzen gelezen en we hebben het tweede hoofdstuk voor de Kerstmorgen bewaard. We vinden daarin namelijk een prachtige hymne en dat zou wel eens het eerste lied kunnen zijn dat ons van de vroege kerk is overgeleverd. De muziek kennen we niet meer, maar de woorden wel. Je zou kunnen zeggen, dat het een prachtig Kerstlied is. Jezus wordt bezongen als gekomen uit de hemelse heerlijkheid. Hij deed afstand van zijn goddelijke status, werd mens en onderging het lot van een slaaf door te sterven aan een kruis (NBV). De tweede helft van de hymne bezingt zijn verhoging en eindigt met een lofzegging die ontleend is aan Jesaja 45:23… dat elke knie zich zal buigen in hemel en op aarde en elke tong zal belijden: Jezus Christus is Heer, dat is God! De gemeente heeft dus al heel erg vroeg Christus als God vereerd. Dat is niet een verzinsel van latere theologen! Hoe kreeg Christus echter die goddelijke status? Door zich te vernederen en een dienaar te worden!
Paulus vindt het nodig om daarop te wijzen, omdat er in de gemeente van Filippi blijkbaar nogal wat geldingsdrang was en eigenwaan en onbescheidenheid. Hij zegt: Kijk naar Jezus, die een dienaar werd en zijn goddelijke heerlijkheid aflegde. Dat is de weg die Jezus ging en die hij ons leerde gaan. Hij waste als een slaaf de voeten van zijn discipelen. Tegen zijn discipelen zegt hij: "Al wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen zal verhoogd worden." (Matth. 23:12) En: "Wie zichzelf gering acht als een kind, zal de grootste zijn in het Koninkrijk der Hemelen." (Matth. 18:4). Wat aanzien heeft in het Rijk van God is de gezindheid van een dienaar.
Ik schilder u vanmorgen een fel contrast tussen Augustus en Jezus Christus, die er beiden aanspaak op maakten de sooter, de redder van de wereld te zijn. Oordeelt u zelf op welke weg heil en vrede gevonden worden – op die van de Romeinse keizers of op die van Jezus Christus. Wat is waarlijk koninklijk: een god te willen zijn of een dienstknecht te worden?
Wie vieren Kerstfeest. Vandaag staan wij aan de kribbe. We buigen ons over het kind Jezus. In de stal van Bethlehem leren wij wat ware hoogheid is. Wij gaan op de knieën voor Hem die ons geleerd heeft klein te zijn, kwetsbaar en eenvoudig, nederig en liefdevol, dienstbaar jegens allen. Zo komt er vrede op aarde. Niet Augustus verdient de naam boven alle naam, maar Jezus. Onze Koning! De Koning der eeuwigheid. Amen.