preek 10 augustus 2008

Preek gehouden op zondag 10 augustus 2008 in de Stadsdennenkerk te Harderwijk: 8e zondag van de zomer. De lezingen waren Jona 2:1-11 en Matth. 14:22-35. Na het Kyrië werd gezongen als loflied Psalm 93. Na de lezing: Gezang 56. Na de verkondiging: Gezang 445.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Laatst hoorde ik van een predikant die moest preken over Mattheus 14: Jezus gaande over het meer. Hij had een bak met water voorin in de kerk gezet en nodigde de kerkgangers uit om het eens te proberen. Nou, dat werd geen groot succes. In de eerste plaats keken de mensen elkaar eens aan en er kwam niemand naar voren. In de tweede plaats legde die predikant van meet aan het verkeerde accent. Alsof het in dit verhaal gaat om het miraculeuze – Jezus, die als een soort tovenaar de natuurwetten buiten werking stelt.

Wij geloven niet dat je op het water kunt lopen – sterker nog… wij weten het zeker. Wij kijken al eeuwenlang uitsluitend door een bril die ons door de natuurwetenschap op de neus is gezet. Wij kunnen niet anders meer kijken dat alléén zo. Wij geloven alleen nog maar in wat fotografisch kan worden vastgelegd of onder laboratoriumomstandigheden kan worden herhaald. Onze kijk op de werkelijkheid is behoorlijk versmald en onze zintuigen zijn behoorlijk afgestompt. De mensen uit de tijd van Jezus waren volstrekt andere mensen. Zij waren in zeker opzicht gevoeliger dan wij, keken en luisterden anders, wisten andere dingen en wisten de dingen anders. En toch waren ze mens zoals wij. Dat is juist het aardige en het fascinerende.

Als wij dus iets te bekrompen met dit verhaal omgaan, zal ons de boodschap ervan ontgaan. Het is symbolisch en écht gebeurd. Het is écht gebeurd en het is symbolisch. Zo is dat met alle wonderverhalen.

Bovendien maakt Markus een veelzeggende opmerking. Hij vertelt ons hetzelfde verhaal (in Markus 6) en besluit dan als volgt: "De discipelen waren helemaal van hun stuk gebracht. Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, omdat ze hardleers waren." Als mensen wonderen en tekenen zien zoals de broodvermenigvuldiging of Jezus' gaan over het meer, dan wil dat nog niet zeggen dat ze ook gaan geloven.

Waar het in dit verhaal om gaat, is dat het leven afgrondelijk is. Er kan zich op ieder moment een afgrond openen onder onze voeten. Er is een afgrond in ons bestaan die ons met angst vervult. Ik zag die angst in de ogen van een vrouw uit Zuid-Ossetië toen daar vrijdag de oorlog uitbrak en ze geëvacueerd moest worden. Een man probeerde haar gerust te stellen: "Kalm aan, onze broeders de Russen komen er aan." De oorlog is een afgrond waarin alles verdwijnen kan. Het kan het einde betekenen van alles wat ons heilig en dierbaar is. Wij verdragen het niet om in die afgrond te kijken. Het vervult ons met verbijstering en diepe irrationele angst.

Afgrondelijk is ons bestaan vooral ook als daar sprake is van ons leveneinde ten gevolge van ouderdom of ziekte of ongeval of – gewoon – als we er eens aan denken moeten. De afgrond is niet in de laatste plaats ook binnen in ons. Het kan gebeuren dat we ons zelfvertrouwen verliezen, psychisch labiel worden… als je te maken krijgt met angst en paniek, geen grond meer voelt, niets om je aan vast te houden. Ons bestaan is afgrondelijk. Het is niet zo, dat we simpelweg een vloertje kunnen timmeren om op te staan. Zo werkt dat in het leven niet.

Het is wel zo dat we dijken bouwen en muurtjes optrekken om onszelf te beschermen tegen de angst (Drewermann).  We zoeken het amusement en het vermaak om maar niet in de diepte te hoeven kijken. We zoeken het in de middelmatigheid en de oppervlakkigheid en de nette burgerlijkheid. We vluchten weg in conversatie en betekenisloos gepraat over de dingen van de dag. Maar opeens vallen de muurtjes om en breken de dijken door en spoelt het water over ons heen en voelen we geen grond en is daar geen antwoord, is daar de nacht, zonder licht en zin en uitzicht. Dan is daar de angst en we zakken weg, verder, dieper.

Er is eigenlijk maar één manier om deze angst te boven te komen – letterlijk: te bóven (luctor et emergo). Dat is de moed om dit bestaan op ons te nemen, om het leven onder ogen te zien – heel dit wonderlijke én ontzagwekkende bestaan. Wie daartoe de moed heeft, hoort – zoals Petrus – plotseling de stem van Jezus naast zich, die zegt: "Ik ben het, wees maar niet bang." Zo hoorde ook Mozes de stem van God, die zei: Ik ben die ik ben, Ik ben erbij als je op weg gaat naar Egypte: Jhwh!

Ik heb zojuist gezegd: We kunnen voor onszelf niet doodleuk een vloertje timmeren en daarop gaan staan. Daarvoor is ons bestaan te afgrondelijk. De grond van ons bestaan moet ons gegeven worden. In Duitsland zeggen ze: Man soll es sich schenken lassen. De bijbel kent een mooi woord voor de dingen die we uit onszelf niet hebben en die ons nochtans gegeven zijn. Dat is het woord ‘genade'. God heeft eens tegen Paulus gezegd, toen hij het moeilijk had: "Mijn genade is u genoeg." Dat is inderdaad het enig nodige: God die het rustpunt is temidden van een chaotische wereld. God die de grond is onder onze voeten. Of zoals we horen in het oude avondmaalsformulier: …die door Christus de Heer de vergeving is in onze schuld, het leven in onze dood, de heerlijkheid in onze ellende.

Laten we dus zoals Petrus de hand van Jezus pakken en samen met hem over de golven gaan. Samen met Jezus, die als Jona drie dagen in de buik van het zeemonster was en daarna het licht weer zag. – Jezus, die bij ons is in het schip, 't scheepke onder Jezus' hoede. Het schip dat ons naar de overkant brengt. De overkant waar Jezus iedereen geneest die tot hem komt en hem aanraakt. Hebben we wel door, hoe rijk dit verhaal is aan symboliek… Het is vol beelden van verlossing. Het is vol beelden van hoop en toekomst.

Mattheus 14 is een buitengewoon troostrijk en moedgevend hoofdstuk, niet alleen voor ons persoonlijk leven, maar ook voor de gemeenschap van de kerk. Als Jezus het volk brood heeft gegeven (zijn verblijf op aarde), gaat hij de berg op om te bidden (Hemelvaart) en geeft hij de discipelen bevel om in het schip te gaan (de kerkgeschiedenis). Jezus op de berg is de gestalte van de voorbidder in de hemel aan de rechterhand van God. De discipelen in het schip representeren de kerk, op weg naar de overkant. De nood is hoog. Het is de vierde nachtwake. Maar Jezus laat ons niet alleen. Hij komt bij ons met de kracht en de tegenwoordigheid van zijn Heilige Geest. Hij brengt ons in het land aan de overkant, waar geen pijn en verdriet meer is of moeite en zorg, waar iedereen hem herkent. Ja, ook dit zit allemaal in dit veertiende hoofdstuk van Mattheus. Het is een verhaal met meerdere dubbele bodems voor wie oog heeft voor de beelden van verlossing. Amen.