Preek gehouden in de Nieuwe Kerk te Harderwijk op zondagavond 11 november 2007
Lezing: Jeremia 36
Uit het Liedboek voor de kerken: Intocht Psalm 78:1,2; Schriftlezing afgewisseld met coupletten van Gezang 326; Na de verkondiging Gezang 305:2; Na de geloofsbelijdenis Psalm 67:2 en als slotlied Psalm 146:1,3.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Prinses Maxima is nogal in het nieuws geweest en ik denk dat haar toch een beetje onrecht werd aangedaan. Ze zei dat ze de Nederlandse identiteit niet gevonden had. Ze zei niet dat deze identiteit niet bestaat. Bovendien sprak ze namens de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid. Daar staat tegenover dat ze zich later beriep op wijlen haar schoonvader Prins Claus die ooit eens gezegd heeft dat hij zich in de eerste plaats een wereldburger, in de tweede plaats een Europeaan en in de derde plaats een Nederlander voelde. De Nederlandse identiteit is een hot item. We hebben intussen een canon opgesteld van historische feiten, die bekend mogen worden verondersteld bij leerlingen op school. Er komt ook een nationaal historisch museum in Arnhem. Je kunt nu wel met alle geweld multi-culti willen zijn, maar dat neemt niet weg dat je land en samenleving wortelen in een stuk geschiedenis. Dat inzicht is groeiende. Je kunt een samenleving niet zomaar lossnijden van haar wortels.
We hebben vanavond een stukje bijbelse geschiedenis op de agenda staan. Daarin gaat 't om de identiteit van het volk Israël – een volk dat in de loop van zijn geschiedenis God heeft leren verstaan als een Bondgenoot-God, een God die ‘erbij is' en die je bevrijdt. Laten we dat stukje geschiedenis eens van dichtbij bekijken. De hoofdpersonen zijn Jeremia, zijn vriend de schrijver Baruch en koning Jojakim.
We bevinden ons grofweg rond 't jaar 600 voor Christus. Een paar jaar eerder in 605 heeft er een feit van wereldhistorische betekenis plaatsgevonden: Nebukadnezar, de koning van Babylon heeft bij Karkemisj Farao Necho verslagen. Dat betekent dat vanaf dat moment niet langer Egypte de politieke lakens uitdeelt, maar Babylonië. Daar moet Jojakim zich maar bij neerleggen.
Het kleine stadsstaatje Jeruzalem met het omringende land van Judea is er overigens nog genadig af gekomen. Nebukadnezar deed op zijn veldtocht ook Jeruzalem aan. Daar sluit hij koning Jojakim in de boeien en laat hem ook weer vrij. Een vernederend en symbolisch gebaar. Kijk eens, Jojakim – ik kan je opsluiten en vrijlaten. Ik doe precies wat ik wil. Je kunt geen kant op. Daarna legt Nebukadnezar belastingen op aan de stad Jeruzalem die jaarlijks moeten worden afgedragen. Op weg naar huis neemt hij goud mee uit de tempel. Er moeten bovendien zonen van aanzienlijke families mee als gijzelaars. Ze zullen in Babylon aan het hof dienen, maar als Jojakim in opstand komt of zijn tribuut niet betaalt zullen ze gedood worden. Zo deed Karel de Grote het overigens ook nog rond het jaar 800 na Christus.
Maar als Nebukadnezar weg is beraamt Jojakim – vernederd en met de schrik vrijgekomen – een plan om in opstand te komen samen met Egypte en enkele kleinere buurstaten. Er is druk geheim diplomatiek verkeer. Er is partijvorming in Jeruzalem. Daar is de Egypte-partij van Jojakim en daar is de – laten we maar zeggen – Jahweh-partij waarvan Jeremia en Baruch de woordvoerders zijn.
Wat de profeet Jeremia op Jojakim tegen heeft, is dat deze zich gedraagt als een oosters despoot. Josia de vader van Jojakim was Godvrezend geweest. Hij was de grote reformator van Israëls religie geworden. Hij was rechtvaardig en begaan met de zwakken in de samenleving. Maar Jojakim zegt God vaarwel. Hij moordt en bedriegt en bouwt een bovenverdieping op zijn paleis ten koste van de armen en de zwakken. Wat Jeremia nog het meest tegenstaat is de valse gerustheid van Jojakim en zijn Egypte-partij. We hebben de tempel toch. "Des Heren tempel is hier!" Er worden toch offers gebracht. God zal ons wel helpen. Maar intussen kennen ze de Here niet en hebben verleerd wat het is om te vertrouwen op Hem.
De kritiek van Jeremia is hard en duidelijk. Niks opstand! Niks samenspannen met Egypte! Nota Bene het land van de Farao! Buig je maar onder het juk van Babel en leer opnieuw om te vertrouwen op God ook onder moeilijke omstandigheden. Zo niet, dan zal Nebukadnezar komen en alles verwoesten. Daar kun je op wachten. En dat wordt dan de straf op jullie hoogmoed en jullie gebrek aan Godsvertrouwen. Hier raken we aan de identiteit van Israël.
Jeremia heeft inmiddels de plank doorzeten en mag niet meer in de tempel komen. De toegang is hem ontzegd. Als er dan een vastendag is – sommigen vermoeden dat het een soort biddag was vanwege grote droogte – laat hij zijn vriend Baruch alles op een boekrol schrijven. Baruch zal dat voor gaan lezen in de tempel, in de vertrekken van Gemarja vlak bij de binnenste voorhof. We hebben bij de lezing wellicht gedacht… al die namen! Maar die namen zijn van betekenis. Gemarja was de zoon van Safan. En Safan was degene die onder het bewind van Josia het boek Deuteronomium had ‘gevonden' bij de restauratie van de tempel. Safan was betrokken bij de hervormingen van Israëls godsdienst. Gemarja had de godsdienstigheid dus van huis uit meegekregen. Drie keer wordt die dag de boekrol voorgelezen: voor het volk, voor de raadslieden en voor de koning. Als de koning de woorden van de profeet hoort, snijdt hij de rol tijdens de lezing aan repen en gooit hem in het vuur. Dat getuigt van koude minachting en onverschilligheid. Jeremia en Baruch moeten zich verborgen houden om aan de brandende toorn van de koning te ontkomen.
Dat is het verhaal. Maar nu willen wij ook lering trekken uit deze geschiedenis. Ik verdeel dat in drie punten: 1. Gods woord is politiek relevant; 2. Gods woord mist zijn uitwerking niet; 3. Gods woord blijft bestaan.
Aangaande dat eerste: Het zal ons zijn opgevallen hoezeer bij Jeremia het Godsgeloof en de politieke stellingname samenhangen. Hij is demonstratief in 't uitdragen van zijn mening – loopt met een juk op door de stad, alsof hij zeggen wil: Buig maar onder Babylonië. Vertrouw niet op Egypte; vertrouw op God. Geen valse gerustheid! Ook voor ons geldt dat Gods Woord politiek en maatschappelijk relevant is. Het moet niet zo zijn, dat we ons in het geloof terugtrekken in de binnenwereld van de spiritualiteit – ook al is dat de laatste jaren nogal in de mode. Het woord van God omvat 't hele leven. De boodschap van Jezus Christus zet aan tot duidelijke stellingname. Daar kunnen we niet voor wegdraaien. Onze keuzen, onze politiek, dient godsdienstig – dient christelijk gemotiveerd te zijn. Daar is een veelheid aan problematiek: verlenging van de missie naar Afghanistan, toelatingsbeleid van asielzoekers, integratie en samenleving, de Accraverklaring over globalisering en economische gerechtigheid, klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Dat vraagt niet zomaar een antwoord; dat vraagt een gelovig antwoord. Daarbij hebben we de vraag te stellen naar 't Godsvertrouwen. Wat getuigt van gehoorzaamheid aan Hem – hoop op Hem?
Ik zal me nu niet begeven in de concrete politiek of stemadviezen uit gaan brengen. Ik ben geen profeet, maar een dienaar van het Woord. Ik draag geen profetenmantel, maar een toga. Natuurlijk mag ik op de kansel wel eens mijn nek uitsteken (zo eens in het jaar…), maar niet te vaak! En dat moet ook niet. Wij rusten elkaar toe met Gods Woord. En de verantwoordelijkheid blijft waar zij hoort… We kunnen voor elkaar de keuzen niet maken. Wel roep ik u op om met elkaar stevig aan meningsvorming te doen. En we zullen ook bidden voor diegenen die in politieke en maatschappelijke kwesties handen en voeten geven aan de boodschap.
Het tweede leerpunt is dat Gods woord niet zonder uitwerking blijft. Jesaja – die andere grote profeet – zou gezegd hebben: Gods Woord keert niet leeg tot Hem terug. Ook al mag Jeremia niet meer in de tempel komen – toch dringt het Woord van God daar door, ja tot in het paleis van de koning. Als Baruch voorleest lopen er wellicht veel mensen schouderophalend voorbij. Maar toch is daar die ene, Michaja, die er bij stilstaat en naar de raadslieden gaat. Maar ja, ik zei het al… de namen zijn van belang! Michaja was de zoon van Gemarja en een kleinzoon van Safan. Als het Woord tenslotte doordringt tot de koning, zien we wat het teweegbrengt: Een scheiding der geesten. Het is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard (Hebr. 4:12). Als het Woord klinkt, ontpopt de koning zich als een botte Godloochenaar die de boekrol in repen snijdt en verbrandt. Maar er zijn er ook die tot inkeer komen en de koning voorzichtig adviseren dat niet te doen. Gods Woord keert niet leeg terug. Dat blijkt ook bij de profetie over Jojakim en zijn huis. Ook vandaag mist Gods Woord zijn uitwerking niet. Waar de profetische kritiek van de kerk klinkt, wordt goed en kwaad van elkaar gescheiden. Daarom is het Woord een blijde boodschap, het evangelie, maar ook een aanstootgevende boodschap. Er komen er tot inkeer en er zijn er die het woord in repen snijden. Ik ben altijd onder de indruk als ik lees in 't blad van Open Doors over de vervolgde, de lijdende kerk – over christenen die in die landen durven getuigen tot in 't paleis van de koning toe. Zoals de Here aan Jeremia en Baruch een schuilplaats bood, zo mogen deze christenen ook rekenen op Gods bijzondere voorzorg. En ze mogen rekenen op ons gebed, evenals degenen die in ons eigen land vooraanstaan met de profetische kritiek van de kerk en daarmee de woede van machtigen over zich heen halen.
Het derde leerpunt is dat Gods woord blijft staan in eeuwigheid. Koning Jojakim versnijdt de boodschap, maar Jeremia schrijft evenzogoed weer een nieuwe boekrol, door God daartoe aangezet – een boekrol, uitgebreider dan de eerste. Het is voor ons wel interessant te weten, dat dit dus de boekrol van Jeremia is, die ons overgeleverd is en die nu in de bijbel staat. Gods Woord zal niet ondergaan, de boodschap van liefde en recht, de boodschap van Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgestaan om onze rechtvaardiging. Het woord van toekomst en van heil – het zal blijven klinken tot op Gods grote dag als alles in vervulling gaat wat Hij ons heeft beloofd. Amen.