preek 17 augustus 2008

Preek gehouden op zondag 17 augustus in de Stadsdennenkerk te Harderwijk. De schriftlezingen op deze negende zondag van de zomer waren Jesaja 56:1-8 en Mattheus 15:21-28. Na de lezing werd gezongen: Psalm 87 en na de verkondiging: Gezang 70

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Jezus wordt hier in Mattheus 15 heel menselijk ten tonele gevoerd. Hij reageert zoals wij dat ook gedaan zouden hebben. Hij is teleurgesteld, een beetje korzelig ook. Wij zouden tegenwoordig zeggen: Hij is een beetje aan vakantie toe.

Die vakantie, die time-out, neemt Jezus ook op, want hij vertrekt naar het noorden, naar het buitenland, de omgeving van Tyrus en Sidon. Even een plek om tot rust te komen. Even een plek om na te denken en tot jezelf te komen.

Daar is ook alle aanleiding toe, want de ervaringen van Jezus zijn de afgelopen tijd niet onverdeeld plezierig geweest. Jezus heeft alles gegeven en is volledig in zijn werk opgegaan. Maar dan is daar de dood van zijn vriend en familielid Johannes de Doper. Onthoofd! Alles wijst erop, dat Jezus met hem een diepgaand spiritueel contact heeft gehad en waarschijnlijk ook veel van hem heeft geleerd. Zijn dood heeft hem ongetwijfeld veel gedaan. En dan is daar de tegenwerking van de Farizeeën en de schriftgeleerden. Die zijn helemaal uit Jeruzalem gekomen om Jezus eens aan de tand te voelen, die rabbi uit Galilea die nogal wat furore maakt. Wie is hij eigenlijk? Wie denkt hij eigenlijk wel dat hij is… dat hij hele volksstammen op de been brengt!?

Als Jezus eraan terugdenkt, kan hij er nog kwaad over worden. Hij heeft het volk verzadigd met brood en met vis – de spijziging van de vijfduizend. Heel het volk heeft te eten gekregen. Er waren nog twaalf maanden met brokken brood over. Voor elke stam van Israël één. En dan komen daar die zogenaamde bijbelgeleerden met hun haarkloverijen en futiliteiten: Waarom overtreden uw leerlingen het gebod van de Here? Ze wassen hun handen niet voor ze gaan eten. Het is toch om uit je vel te springen! Alsof iemand die vergaat van de honger zich nog druk zou kunnen maken over dergelijke bijzaken.

Jezus vindt het moeilijk om netjes te blijven tegen die Joodse leraren en geleerden, de vertegenwoordigers van het Joodse volk. Hij zegt: Moet je eens horen… Weet je waar je onrein van wordt? Niet van wat je mond ingaat, maar van wat je mond uitkomt. Jullie maken je druk over ongewassen handen, maar de taal die jullie uitslaan is nog veel vuiler. Jullie gedragen je uiterst beleefd en spreken keurige taal, maar jullie bedoelingen zijn onzuiver. Jullie zijn huichelaars. Zo voor het oog zijn jullie keurige mensen, maar intussen… Nou, dat is dus even hard tegen hard tussen Jezus en de vertegenwoordigers van het Joodse volk.

Jezus – intussen in het buitenland – zit zich nog steeds te verwonderen. Wonderlijk, raadselachtig eigenlijk. Jezus wil zijn volk alles geven: heel het aanbod van Gods genade. De volheid van Gods goedheid. En toch wijzen de officiële instanties hem af. En dan is daar opeens die Syrofenicische vrouw, die buitenlandse. Ze komt precies op het kritieke moment. Ze spreekt Jezus aan. Het is de enige keer dat Jezus zich door argumenten laat overtuigen. En dan nog wel van een vrouw, die zich in het openbaar wat op de achtergrond diende te houden.

"Ik behoor wel niet tot uw volk, maar kunt u mij misschien helpen? Mijn dochter…"

Sommigen spreken over een ‘bekering' van Jezus. Dat klinkt wel lekker paradoxaal, maar zo zou ik het niet willen noemen. Het is eerder een bewustwording. Het voltrekt zich in drie stappen. "Nee", zegt Jezus, "ik ben er alleen voor de Israëlieten." Als de vrouw verder aandringt, is Jezus nog duidelijker. "Ik geef het brood alleen aan de kinderen van Israël en niet aan de heidenen." Zo werden de buitenlanders of vreemdelingen wel genoemd in Israël: heidenen. Weinig complimenteus, maar goed… Alle teleurstelling en boosheid van Jezus klinkt er nog een beetje in door. En dan komt die vrouw met een opmerking die Jezus compleet ontwapent. "Ook de honden eten ook mee van de kruimels die van de tafel vallen."

Weg is nu alle boosheid en alle rancune bij Jezus. Hij verwondert zich over het geloof van deze vrouw en zegt: Het is goed! 't Is ook voor jou en voor je dochter. Gods heil is ook voor buitenlanders. Het is voor de hele wereld. Dat is voortschrijdend inzicht in het leven en werk van Jezus.

Het is beslist niet toevallig dat er na de tweede wonderbare spijziging zeven manden met brood overblijven. Nu niet twaalf, het getal van de stammen van Israël, maar zeven, de volheid van de hele wereld. Dat staat symbool voor de verandering die daar gekomen is.

Voor eens en voor altijd is duidelijk geworden dat het evangelie niet exclusief is, maar grensoverschrijdend. Er zijn ook in het Oude Testament al plaatsen waar dat duidelijk wordt. De eunuch diende in de harem van een buitenlands hof. Daar werden vreemde goden gediend. Maar als hij zich houdt aan de sabbat en zijn keuzen maakt overeenkomstig de wet van de Here, dan mag hij er bij horen. De Here zal hem een nagedachtenis geven in de gemeente, belangrijker dan zonen en dochters.

Ik denk dat iedere club of organisatie daar wel last van heeft: exclusief te worden. Letterlijk is dat anderen buitensluiten. In de kerk hebben we daar ook last van. We zien terug op een rijke traditie, de geschiedenis van de Reformatie en van de vaderlandse kerk. We hebben zo nu en dan behoorlijk last van kerkelijke nostalgie, want we zijn nogal gehecht aan hoe het allemaal was, de grote verhalen van het verleden. We hebben ook heel wat te verliezen: kerkelijke cultuur en kunst. Kerkelijke goederen en gebouwen. Daar word je een beetje exclusief van. Een beetje buitensluiterig. Daar mag niet iedereen zomaal aankomen. Dat moet keurig geconserveerd en bewaard worden. Zo raken we steeds meer op onszelf betrokken en naar binnen gekeerd. We schermen onszelf af en worden een exclusieve club.

Op 5 maart 2009 bestaat deze Stadsdennenkerk veertig jaar. Maar wat vieren we dan? Dat we veertig jaar een exclusieve club, een exclusief Gereformeerde Kerk zijn geweest? Of dat we veertig jaar lang de kans hebben gehad om er te zijn voor de mensen hier in de buurt? Met de boodschap van Christus. Ik denk dat laatste. Vooruitlopend op dat veertigjarig jubileum gaf een van de ambtsdragers mij materiaal om eens door te kijken: "Kerk in de buurt". Er staat een veelzeggende slogan op het boekje: "Een kerk, die in een wijk staat, kan niet verborgen blijven." Leuke woordspeling op Mattheus 5:14 "Een stad op een berg kan niet verborgen blijven." Wij zijn niet exclusief – buitensluiterig. Zo kennen we elkaar niet. Maar op het vlak van de gastvrijheid en openheid naar buiten toe hebben we misschien nog wel wat te leren.

Mensen uit de buurt kunnen je behoorlijk uit je tent lokken. Zo voelde Jezus zich behoorlijk aangesproken door de Kananese vrouw. Om kerk te zijn in de buurt kom je er ook niet met theologische scherpslijperij… of mensen hun handen wel gewassen hebben. Belangrijker is dat ze brood krijgen: Brood voor het hart. Jesaja 56 begint met de oproep om rechtvaardig te handelen en het recht te handhaven. Dat is waar het op aan komt. Ook moeten we de mensen opzoeken waar ze zijn. Ds. Hans van Ark, predikant te Wezep en vanaf 1 sept. as. trekker van het KPN-project ‘missionair werk en kerkgroei' hield tijdens het EK een dienst op het voetbalveld. Daar zijn de mensen en daar moet je dus wezen. Dat benadrukte hij ook op het symposium dat onlangs werd gehouden t.g.v. het vijfenzeventig bestaan van de Plantagekerk. Kennen wij de mensen uit de buurt eigenlijk wel? Weten we waar ze mee bezig zijn en wat voor taal ze spreken? Het evangelie is niet exclusief, maar overschrijdt alle grenzen. In ons land beginnen de grenzen hoe langer hoe meer te vervagen. We hebben al lang geen monocultuur meer, ook al verlangen we daar misschien nog naar terug. Daar zullen we bij ons kerk-zijn rekening mee moeten houden. Het Nederlands Bijbel Genootschap is bezig met een migrantenbijbel, want vooral in de grote steden ontstaan momenteel veel migrantenkerken. Dat lijkt mij een gelukkige greep van het NBG. Het zou wel eens zo kunnen zijn – of liever, ik weet het wel zeker – dat in Gods Koninkrijk en dus ook in de kerk de hulpzoekende Kananese belangrijker is dan de zelfverzekerde Farizeeër… dat de migrant en de buurtbewoner belangrijker zijn dan de exclusieve club waartoe wij behoren. Amen.