Preek gehouden in de Stadsdennenkerk te Harderwijk op zondag 17 februari 2008. Gelezen Mattheus 26:36-46.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Het leven gaat vaak zo snel. We rollen van het een in het ander en we hebben in de meeste gevallen te weinig tijd om eens tot bezinning te komen. In dat jachtige leven hoort helemaal de opmerking thuis die in onlangs door iemand hoorde maken: Het is straks zo maar Goede vrijdag en Pasen. En als je niet uitkijkt dan mis je de juiste gerichtheid… want je hebt geen tijd genoeg genomen.
Het is daarom goed om dat verhaal van Jezus' worsteling in Getsemane wat naar voren te halen. We moeten die lijdensverhalen niet allemaal bewaren voor de stille week. En dan wil ik het vanmorgen met u hebben over twee dingen: 1. Over de discipelen; waarin ze tekortschoten en 2. Over de Here Jezus; waarin hij zijn discipelen en ook ons zijn gemeente tot voorbeeld is geweest.
Laten we eerst eens eenvoudig stilstaan bij het verhaal. Zo komt alles wat dichterbij. En dat is ook de bedoeling. We willen iets meemaken van de dingen die daar toen gebeurd zijn: Jezus' opgang naar Jeruzalem. Op die weg willen we hem volgen.
Jezus is met zijn discipelen bijeen geweest op de donderdagavond. Hij heeft het Pascha gevierd. Hij heeft met zijn discipelen gedacht aan de Exodus, de uittocht uit Egypte. Hij heeft het brood gebroken, het harde brood van de ellende dat de vaderen in Egypte gegeten hebben. En hij heeft de beker doorgegeven: de derde beker, die een bijnaam had: de beker van de dankzegging. Het moet op de leerlingen wat vreemd zijn overgekomen, dat hun rabbi nu plotseling brood en beker op zichzelf betrekt. Ze zullen het pas later echt begrepen hebben.
Johannes vertelt ons, dat Jezus aan diezelfde tafel ook de voeten van zijn discipelen gewassen heeft. Dat staat onder het voorteken van het kruis. Daar zou Jezus de zijnen wassen met zijn bloed. En aan die tafel heeft hij ook het hogepriesterlijk gebed uitgesproken. Jezus komt van de Vader en hij gáát tot de Vader. Hij komt van God en hij gaat tot God. En hij maakt een beweging van verlossing door onze wereld. En in de wereld heeft Hij de zijnen liefgehad tot het einde, degenen die God de Vader hem gegeven heeft. Hij neemt ze mee in zijn overwinning en hij zal voor hen een plaats bereiden, bij de Vader, zodat ze mogen zijn waar ook hij is. En zoals Jezus één is met zijn Vader, zo mogen de zijnen ook één zijn. Daarom bidt Jezus om eenheid: Vader, opdat ze allen een zijn.
De instelling van het avondmaal en het hogepriesterlijk gebed laten wel zien hoe intens Jezus deze laatste avond met zijn discipelen beleefd heeft. Daarna verlaat hij het huis waar ze bijeen waren. De traditie wil, dat ‘t het huis was van ene Maria, de moeder van de evangelist Markus. Markus – een jonge man nog – is Jezus en zijn discipelen waarschijnlijk op een afstand gevolgd uit nieuwsgierigheid, alleen in een linnen doek gehuld, want het was voor hem al bedtijd. De soldaten kregen hem in die nacht bijna te pakken. Johannes vertelt ons, dat Jezus naar een plek ging, die ook aan Judas bekend was, want daar spraken ze vaak met elkaar. het was er rustig – de hof van Getsemane. Even de stad uit, over de beek Kidron, op de helling van de Olijfberg.
En nu hebben we zojuist gelezen, dat Jezus heel angstig wordt. Terwijl hij daar dan worstelt om gehoorzaam te zijn aan zijn roeping slapen de discipelen. Daar kunnen we heel oppervlakkig over doen, zo van: Dat is niet fijngevoelig om iemand zo alleen te laten terwijl hij het moeilijk heeft. Of… van goede vrienden mag je toch iets meer verwachten. Maar zo komen we er niet. Dat slapen van de discipelen heeft duidelijk een diepere zin. Juist daarom hebben we zojuist naar de context van het verhaal gekeken. Het is immers niet zomaar een nacht! De discipelen hadden zojuist het Pascha gevierd en gedacht aan de uittocht uit Egypte. Het was voor alle Israëlieten een heel bijzondere nacht. Tijdens het Pascha werd teruggekeken naar de uittocht uit Egypte. We weten hoe de Israëlieten in Egypte het Pascha moesten eten: staande, gehaast, schoenen aan de voeten, lendenen omgord en de staf in de hand. Dat typeert de nacht voor de uittocht. Het was een nacht van waken. Het was een nacht van klaarstaan, bedacht zijn op Gods heil. Als Hij roept, trekken we op! Zo is de paasnacht voor alle Israëlieten altijd een nacht geweest van waken. Nu begrijpen we ook waarom het zo erg was dat de discipelen sliepen. En we beginnen nu ook Getsemane beter te begrijpen. Het was de nacht voor de uittocht. Welke uittocht? Ja, dat gaat even iets dieper dan Farao en Egypteland. Daar is het rijk van de dood. Daar is de macht van de boze. En daar is de Koning die overwint. Jezus Christus die komt van God en gaat tot God en die alle dingen terechtbrengt.
Daarmee hebben we het eerste punt gehad – waarin de discipelen tekortschieten en waarin ook wij tekortschieten. Laten we het ons maar eens afvragen in deze veertigdagentijd of we wel alert genoeg zijn. Of we wel klaarstaan om met Jezus uit te trekken uit het rijk van de duisternis. Of liggen we soms te slapen. We hebben het heil en het koninkrijk binnen handbereik en Jezus op steenworps afstand. Maar we slapen in. "Sta op uit de doden, o zondaar, en leef. En Christus zal over u lichten."
En nu het voorbeeld van Jezus. Dat is het tweede punt waar we over nadenken. Jezus is voor ons een voorbeeld in zijn bidden. Ik geef u een paar gedachten mee die misschien helpen kunnen al u het zelf eens moeilijk hebt. Het is namelijk niet zo moeilijk om in Jezus iets van onszelf te herkennen. Angst of menselijk nood isoleert. Dat zeggen de psychologen en de hulpverleners. En dat is ook zo. Je raakt steeds meer op jezelf betrokken. De kring wordt kleiner. Je wordt op jezelf teruggeworpen. Ook al wordt je een liefdevolle hand toegestoken, je kunt of wilt hem soms niet vastpakken. Je voelt je steeds meer alleen.
Zo zie ik daar in de hof ook Jezus, die steeds meer alleen komt te staan. Eerst zijn daar nog de discipelen, maar dan zijn er nog maar drie die met hem meegaan. Zijn boezemvrienden Petrus, Jacobus en Johannes. Tenslotte gaat Jezus alleen verder om te bidden. Dan is hij helemaal alleen. Op zichzelf teruggeworpen in zijn angst. Nou ja… gelukkig niet helemaal alleen. Daar is de Vader in de hemel. De enige nog bij wie hij terecht kan. En God laat geen bidder staan. Lukas vertelt ons, dat God een engel stuurde naar Jezus om hem kracht te geven. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Ik denk, dat God ons ook zo nu en dan een engel wil sturen om ons kracht te geven.
Wat u wat ik zo opvallend vind. Jezus bidt niet één keer, maar hij bidt drie keer. Wij bidden heel vaak om hetzelfde. Dan willen we graag dat God het anders gaat doen. Maar hier zien we juist, dat Jezus het anders gaat doen. Hij begint ánders te bidden. Eerst bidt hij tot zijn Vader: Laat deze beker aan mij voorbijgaan. Dat is de ontkenning. Jezus zegt ‘nee'. Zo bidden wij ook heel vaak. We willen het niet. We steigeren ertegen. We zijn niet eenswillend (mooi oud woord) met God, maar verzetten ons tegen Hem. We willen de weg niet gaan, die Hij van ons vraagt. Maar als Jezus voor de tweede keer bidt, dan klinkt het anders: Vader, als ik dan toch die beker van het lijden leegdrinken moet… uw wil geschiede. Daar komt het tot aanvaarding, tot acceptatie, tot overgave. En als Jezus dan voor de derde keer gebeden heeft, staat hij op en loopt naar zijn discipelen en zegt: Staat op, laten we gaan! Daarin klinkt iets door van de vastberadenheid, de vastbeslotenheid van een mens die de dingen – ook de moeilijke dingen – met vertrouwen tegemoettreedt, omdat hij weet, dat God met hem is: Staat op, laten we gaan!
Het is goed om Jezus de bidder in Getsemane als ons grote voorbeeld te nemen. Wij zoeken het zo vaak in de beschuldigingen. Waarom doet God dat? Waarom doet U dat?! We willen zo graag dat God de dingen verandert, de situatie verandert, alsof we Hem een wensenpakketje kunnen voorleggen. Maar écht bidden is wat anders. Dat is een worsteling, dat is het gaan van een weg. Een weg waarop het misschien wel goed gaat komen, een weg waarop we misschien wel lijden moeten. Een weg soms van bloed, zweet en tranen. Bidden is een weg zoeken samen met God. Dat is: anders leren bidden dan voorheen, omdat je het gevoel hebt dat God niet meer luisteren wil. Bidden is eenswillend worden met God. De weg gaan achter Jezus. Een weg die gaat over hoogten en door diepten. Maar één ding is zeker. Het is een weg die niet doodloopt, maar uitkomt bij de Vader en bij het leven. "Staat op, laten we gaan!" Amen.