Preek gehouden in de Stadsdennenkerk te Harderwijk op zondag Cantate 20 april 2008.
Lezingen volgens het rooster: Deuteronomium 6:20-25 en I Petrus 2:1-10. Tekst voor de verkondiging: Deutr. 6:20 "Wanneer uw kinderen u later vragen: Wat betekenen al die bepalingen en wetten en regels die de Heer, onze God, u heeft voorgehouden? geef dan dit antwoord: Wij waren in Egypte slaven van de farao, maar met sterke hand heeft de Heer ons uit Egypte geleid." Gezongen na de lezing: Ps. 78:1 en na de verkondiging: Psalm 78:2. Bijzonderheden: In de dienst is de heilige doop bediend.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Vorige week waren wij een weekend weg in Duitsland en daar stond op de voorpagina's van de kranten een bericht over de Bundestag: een belangrijk besluit over de versoepeling van het stamcelonderzoek. Stamcellen kunnen worden gewonnen o.a. uit menselijke embryo's. Het zijn een soort supercellen, die zich nog op allerlei manieren kunnen ontwikkelen.
Zoals we wellicht weten is het stamcelonderzoek met vele ethische vragen omgeven. Mag alles wat kan? Ik heb me de hele week af lopen vragen: Wanneer ontstaat nu precies de ziel van een mens? – de ziel waarvan in de bijbel gezegd wordt: De Here zal uw ziel bewaren! Wordt de ziel door God geschapen op het moment van de conceptie, dus als er een eicel en een zaadcel samensmelten? Of wordt de ziel door vader en moeder samen overgedragen op het moment van de conceptie. Of ontwikkelt zich de ziel heel geleidelijk aan. Of bestond die ziel al voor de conceptie, zoals de mensen geloven die uitgaan van de reïncarnatie.
Toen kreeg ik deze week ook nog een foldertje van een pro-life beweging met een plaatje van een foetus erop van 10 weken op ware grootte – klein mensje ongeveer zó groot met alles erop en eraan. Ik raakte onder de indruk van het grote geheim dat schuilgaat achter ons menselijk leven. Er kwamen woorden in mij op uit Psalm 139: Uw ogen zagen mijn vormeloos begin; Ik ben in het verborgene gemaakt; U heeft mij in de schoot van mijn moeder geweven.
Ik weet dat stamcelonderzoekers ook hun ethische principes hebben. En dat ze hun werk doen in het belang van de medische wetenschap. En toch huiver ik bij de gedachte, dat we de hand zouden slaan aan de ziel van een mens. Dat een mens gedegradeerd wordt tot een ding, dat gemanipuleerd kan worden – de maakbare mens.
Als er een kindje geboren is, dan vervult ons dat met blijdschap en met verwondering. Dat jonge leven is zo kostbaar en zo kwetsbaar. Ook worden we onvoorwaardelijk voor een grens gesteld: Dit leven is onaantastbaar! Handen af van het leven! In het geloof zeggen we dan: Dit leven is van God.
Als er een kindje geboren is, gaat onze verwondering nog verder. Een vrouw wordt een moeder; een man wordt een vader. Ze vormen een gezin. Het gezin is de veilige behuizing waarbinnen een kind op kan groeien. Het gezin is als het ware de baarmoeder waaruit straks een weerbaar mens tevoorschijn komt, opgewassen tegen de gevaren van het bestaan en van de samenleving. Daarom heeft de band tussen man en vrouw iets heiligs – ter wille van het gezin – ter wille van de kinderen. In het geloof zeggen we dan: Het huwelijk is een instelling van God.
Op een dag tijdens de opvoeding is daar dan voor het eerst een vraag van die kleine. Het gebeurt veelal terwijl we er geen erg in hebben, want het lijkt zo gewoon, maar dat is het niet. De kleine stelt voor het eerst een vraag: Mamma, wat doe je daar? Pappa, waarom doe je dat? Dat is buitengewoon… dat een kind leert vragen. Waarom doen jullie dat?
En wij grote mensen, wij worden plotseling met onszelf geconfronteerd. Wij worden op onszelf teruggeworpen. Niets bepaalt ons zo sterk bij onszelf dan die kinderstem, die zegt – heel eenvoudig – "Mamma, waarom doe je dat.", "Pappa, waarom doe je dat?" En plotseling staan we met een mond vol tanden en we denken bij onszelf: Ja, waarom eigenlijk? Hoe was het ook weer? Wie ben ik ook weer? Waarom doe ik dit ook al weer?
Wat zijn die kinderen onbetaalbaar. Wat hebben jullie, beste doopouders, een grote schat in huis! Wat hebben we als gemeente een grote schat in huis: die kinderen van de kinderdienst, die hier voorin de kerk zojuist hebben staan zingen met ogen groot van verwondering en verwachting en vertrouwen. Wat is dat onbetaalbaar! Ze houden ons bij de les: "Waarom doen jullie dat allemaal?" "Waarom leren jullie ons een liedje zingen?"
Wat is dan ons antwoord? Wat geven we ze mee in het leven? Consumptieartikelen? Computerspelletjes? Deze week las ik in Aan de hand (een blad over christelijke opvoeding) een artikel over verslaving onder kinderen aan computerspelletjes. Vader en moeder hebben het niet tijdig ingezien. Het is niet helemaal goed gegaan. Het is helemaal niet goed gegaan. Game over!
Wat krijgen ze van ons voor antwoord? Wat krijgen ze mee? De bijbel zegt in Deuteronomium 6: Geef ze een verhaal mee. Deutr. 6:20 "Wanneer uw kinderen u later vragen: Wat betekenen al die bepalingen en wetten en regels die de Heer, onze God, u heeft voorgehouden? geef dan dit antwoord: Wij waren in Egypte slaven van de farao, maar met sterke hand heeft de Heer ons uit Egypte geleid."
Als de kinderen beginnen te vragen "Vader wat doe je nou?" "Moeder waarom…?" geef ze dan een verhaal mee. Geef ze dan het antwoord mee uit de bijbel. God heeft zijn volk bevrijd uit de slavernij. Hij heeft ons zijn leefregels gegeven die de ruimte aangeven waarbinnen het leven goed is – waarbinnen het goed leven is. God heeft ons de Here Jezus gegeven die ons redt en die als eerste uit de dood is opgestaan.
Het is een heel bijzonder hoofdstuk uit de bijbel – Deutr. 6. We vinden er de geloofsbelijdenis van het Joodse volk – Deutr. 6:4 – "Hoor Israël, de Here is onze God, de Here is één." We horen er het gebod van de liefde. En wat ook heel bijzonder is in dit centrale hoofdstuk uit de bijbel: Van meet aan is er sprake van de kinderen en de kleinkinderen. Prent ze de geboden van God in. Vertel ze het verhaal van de bevrijding. Soms zeggen de ouderen: "Het lijkt wel alsof in de kerk tegenwoordig alles voor de jeugd wordt gedaan." De bijbel zegt: "Je kunt niet genoeg doen voor de jonge mensen."
Ja, wij hebben een verhaal. Niets is erger dan mensen zonder verhaal… kinderen die worden opgevoed zonder verhaal… zonder referentiekader waarop ze later terug kunnen vallen. Wij hebben een verhaal, dat we mee mogen geven. We hebben een verhaal dat we vertellen mogen aan de kinderen, aan de tieners (op dit moment in hun tienerdienst bijeen). We hebben een verhaal dat verteld wordt door vaders en moeders en opa's en oma's en door de gemeenteleden aan elkaar. Er zijn hier vanmorgen ook mensen in de kerk die geen kinderen hebben en die daar misschien verdriet van hebben of hebben gehad. Maar ook zij zijn er helemaal bij betrokken – het doorgeven van dat verhaal aan elkaar en aan de volgende generatie.
Wat is dat verhaal? Het is het verhaal van de bevrijding en de gave, het geschenk van Gods wet. Het is het verhaal van de Here Jezus die ons gebiedt om elkaar lief te hebben. Petrus zegt: Jezus heeft ons weggehaald uit het land van de duisternis, de Egyptische duisternis van slavernij en zonde en dood. Hij heeft ons daaruit weggeroepen en gebracht in het land van zijn wonderbaarlijke licht. Ja, dat is het verhaal! Het verhaal van licht en duisternis; het verhaal van Jezus die het Licht der wereld is, die onze Redder is. En hij maakt ons tot priesters die verzoening brengen en vrede.
"Opa, waarom lees je altijd uit dat boek dat je de bijbel noemt?" "Oma, waarom ga je altijd op maandagavond naar het koor om te zingen over de Here Jezus?" "Pappa, waarom neem je ons altijd mee naar de kerk?" "Mamma, waarom leer je mij bidden?" …omdat we een verhaal hebben, mijn kind! Een prachtig verhaal over bevrijding en nieuwe hoop. Amen.