preek 24 februari 2008

Preek gehouden op 24 februari 2008 in de Veldkampkerk te Harderwijk. Gelezen Johannes 4:1-30 en I Korinthiërs 10:1-4. De tekst gelezen uit Joh 4:10 "Indien gij wist van de gave Gods (geschenk van God) en wie het is die tot u zegt: Geef mij te drinken… Gij zoudt het hém (hem erom) gevraagd hebben.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Wij hebben voor de preek in deze tijd van veertig dagen verschillende mogelijkheden. We kunnen aansluiten bij de verschillende projecten die ons aangeboden worden. In sommige kerken wordt gewerkt met "Vertel 't maar". Daar komen de verhalen ter sprake uit de lijdensgeschiedenis van Jezus: Getsemané, Kajafas, Pilatus, de kruisdood en opstanding. Het alternatieve leesrooster dat ons aangeboden wordt door de Raad van Kerken heeft lezingen uit het boek Nehemia. Als u het leesrooster volgt van het NBG ‘Vandaag lezen wij', dan bent u Nehemia ook al tegengekomen. Het project voor de kinderen uit "Kind en zondag" van de Nederlandse Zondagsschool Vereniging sluit daar ook op aan: De stad van je dromen. En dan is daar het oecumenisch, het gemeenschappelijk leesrooster, waarin in drie jaar de evangeliën gelezen worden. Wij lezen momenteel in het eerste jaar, het zgn. A-jaar en Johannes 4 staat op het rooster: de Samaritaanse vrouw. Begeleidende lezingen zijn uit het Oude Testament de geschiedenis van Massa en Meriba (water uit de rots) en uit de brieven I Kor. 10 (Jezus is die rots). Voor onze overdenking sluit ik vanavond aan bij het oecumenisch leesrooster Joh. 4 –  Jezus en de Samaritaanse vrouw. Dat mag genoeg zijn voor enkele inspirerende gedachten die deze week met ons meegaan.

In de jaren dat ik nu predikant ben, heb ik Johannes 4 al verschillende malen aan de orde gehad. Het is een intrigerend bijbelgedeelte. Ik ben wel eens druk geweest met die eerste twee verzen. Jezus maakte op een gegeven moment méér leerlingen en hij doopte er ook méér dan Johannes (de Doper). Ook in Joh. 3 (vers 22) lezen we dat Jezus doopte. Maar dan is daar in ons bijbelgedeelte ineens dat interessante tussenzinnetje: "Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat…" Dat is betekenisvol. Waar komt die dooppraktijk vandaan? Waarom deed Johannes dat en met hem ook Jezus? En hoe komt het dat Jezus ermee gestopt is en dat er nu gedoopt wordt in de naam van Jezus?

Ik ben wel eens in de weer geweest met de achtergronden van dat verhaal. Het leert ons veel over Joden en Samaritanen – over de vooroordelen in de tijd van Jezus en de controversen van toen. Waar moet eigenlijk eredienst gehouden worden? Hier op de berg Gerizim of op de berg Sion waar de tempel is? Onze traditie is veel ouder… gaat terug tot op de aartsvaders. De put is ons door aartsvader Jakob gegeven. Jeruzalem is veel recenter en dus van minder gewicht. Die hele berg Sion komt in de Thora niet voor! We leren Jezus hier kennen als – wij zouden tegenwoordig zeggen – een ruimdenkend mens. Hij heeft geen voordelen en denkt niet exclusivistisch. Hij spreekt gewoon tegen het gebruik van zijn tijd in een vrouw aan. Het is ook voor haar. En hij verliest zich niet in theologische haarkloverijen. Jezus heeft weet van méér: aanbidden in Geest en in waarheid.

Ik ben wel eens druk geweest met de gesprekstechniek van Jezus. Het is gewoon ongelooflijk knap zoals hij deze vrouw hier te woord staat. Hij laat zich op geen enkele manier afleiden. Hij laat zich niet voor het karretje spannen, maar legt steeds de verantwoordelijkheid waar die hoort. Het is een evangelisatorisch gesprek in optima forma. Het verhaal heeft dan ook een missionaire toespitsing. De vrouw laat haar kruik staan en gaat naar de stad om het te vertellen. Later komt ze met een heleboel stadsgenoten terug en er komen veel Samaritanen tot het geloof door het getuigenis van die vrouw.

Maar nu van de week bij de voorstudie las ik een liturgische handreiking van Piet van Veldhuizen. En hij laat nog weer een heel ander licht op Johannes 4 vallen, meer vanuit de rabbijnse hoek, de zeg maar Joodse exegese. Met het oog daarop zijn de begeleidende lezingen gekozen, Ex. 17 en I Kor. 10. Het gaat over het geschenk van God (dorean tou theou, vers 10; Zie NBG, niet NBV). Dat is een uitdrukking die volgens sommigen ook al in het Oude Testament te vinden is en die past in een oeroude traditie, die al in Jezus' tijd bekend was en die ons is overgeleverd in verschillende oude middeleeuwse midrasjim (laten we maar zeggen Joodse preken). Het is het verhaal van de wandelende put met het zelf-opwellende water.

Volgens deze oude Joodse legende zou de rots waarop Mozes sloeg en waar water uit kwam bij Massa en Meriba met het volk zijn meegetrokken door de woestijn – als een soort wandelende put. Het zou dezelfde put zijn geweest die met Abraham meetrok, toen hij als vreemdeling vertoefde in Kanaän. Het was dezelfde put waar Jakob later Rachel ontmoette. En die wandelende put was er ook in Midean toen Mozes daar aankwam na zijn vlucht uit Egypte. Na de intocht zou de put niet meer verschenen zijn. Het wonderlijke van die wandelen put was ook dat het water spontaan omhoog welde tot aan de rand als de rechtvaardige kwam om te putten. Die put werd het geschenk van God genoemd. Paulus heeft deze legende gekend. Hij zegt in I Kor 10:4 dat de rots meetrok door de woestijn en dat Christus die rots is. Jezus heeft volgens sommigen de legende ook gekend omdat hij tegen de Samaritaanse vrouw zegt: Als je wist van het geschenk van God, dan hoefde je nooit meer te putten.

Het is aantrekkelijk om Joh. 4 tegen deze achtergrond te lezen. Jezus zegt: Als je wist van Gods geschenk en als je wist wie jou gevraagd heeft "Geef me te drinken"… Het maakt die opmerking over het geschenk van God heel begrijpelijk en Jezus legt zelf het verband: Híj is die wandelende put met water dat opwelt tot aan de rand.

Wij zingen voor en na de preek liederen van Willem Barnard. Gezang 224 past wondermooi bij Jezus als de wandelende bron. Uit de zijde van Jezus kwam water en bloed. Hij noemt de zijde van Jezus de flank van de rots.

            Wandelend in de woestijn
            hebben wij water gevonden
            Springende als een fontein
            bronnen geslagen als wonden           

            Overvloed, overvloed Gods
            sprengen van water en leven
            bloed uit de flank van de rots
           water en bloed om het even

            Daaruit ontspringt ons bestaan,
            Zo zijn wij wedergeboren!
            Kondigt het jubelend aan,
            laat het de wereld horen.

Het is het kenmerk van de dichter dat hij met weinig woorden zo veel weet te zeggen. Je krijgt als prediker een beetje het gevoel dat je met mosterd na de maaltijd komt als je daar nog een toepassing op wilt laten volgen. Ik stel voor dat we in de komende week het Liedboek eens open laten liggen bij Gezang 224. En als we daar dan langs lopen – laten we ons dan eens afvragen of Jezus de bron van leven is die met ons meetrekt… en of water en bloed uit zijn zijde (doop en avondmaal) ook inderdaad de oorsprong zijn van ons bestaan. Amen.

Geraadpleegd: De eerste dag, 24 februari 2008.