preek 30 november 17.00 u.

Preek gehouden op zondag 30 november in de Stadsdennenkerk te Harderwijk om 17.00 uur. Het psalmengebed was Psalm 27. Gelezen is II Thessalonicenzen 2 en uit de Heidelbergse Catechismus 18.49 t/m 19.52 in de vertaling van Lambert Wierenga: De Heidelbergse Catechismus in gewoon nederlands. Voor het boek van Robert Schneider: zie mijn boekbespreking bij recensies.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Het is vandaag de Eerste Advent. We beleven weer de adventstijd voor Kerst. En Advent betekent ‘komen'. Het gaat dus om de komst van Christus. Dat vieren we op het Kerstfeest – dat hij gekomen is. Maar vorige week hadden we het ook over het komen van Christus… Niet met Kerst, maar op de jongste dag. De komst van Christus is de schakel waarmee het oude kerkelijk jaar met het nieuwe verbonden wordt. Laten we daarom bij Advent niet alleen aan Kerst denken, maar heel in het algemeen aan Gods komen in deze wereld. De adventsgemeente is de kerk in de gestalte van de arme weduwe die vraagt om recht. De adventsgemeente is de kerk die bidt: Uw Rijk kome – de kerk die roept ‘Maranatha'.

Als je ‘komen' zegt, dan zeg je ook ‘wachten'. Dat moet je maar eens vragen aan een vrouw die in verwachting is van haar kind dat komt. Of aan een kind dat uitkijkt naar de komst van Sinterklaas. Of aan een zieke die wacht tot er een uislag komt van de dokter. Het wachten van de kerk van Christus laat zich als volgt omschrijven: Het is een wachten op de vervulling van Gods beloften – dat er eens een rijk zal aanbreken waarin het vrede is, waarin terroristen niet meer luk raak om zich heen schieten in een hotel. Een nieuwe werkelijkheid waaruit het kwaad is weggenomen, waar geen verdriet en pijn meer is. Een nieuwe wereld waarin alles beantwoordt aan zijn doel, mensen en dingen. De hemel op aarde. Ach wanneer zal dat komen? Here, waarom duurt dat zo lang?

Wachten is ook spannend. Want je weet niet hoe het zijn zal en wanneer het zal zijn. Ons geduld wordt op de proef gesteld. Soms kunnen we de spanning nauwelijks verdragen – als het wachten pijn doet, als we het niet meer vol kunnen houden. Het is dan ook begrijpelijk dat we soms wat op een overspannen manier aan de gang gaan. Daar zijn we mensen voor. In Thessalonika, de hoofdstad van Macedonië, waren er gelovigen die daar last van hadden. Die raakten hun bezinning kwijt. Ze waren opgehouden met werken. Hoeft niet meer! Christus komt toch volgende week. Ze konden niet langer wachten en sloegen door. Nou, zegt Paulus, rustig aan maar. Er moet nog een heleboel gebeuren. En ook moet de antichrist nog aan het licht komen.

Eerder dit jaar verscheen er in vertaling een historische roman van Robert Schneider over het leven van Jan Beukels, ook wel Jan van Leiden genoemd. De roman beschrijft het turbulente leven van Jan van Leiden, de koning van de wederdopers in Münster. Hier vinden we een typisch voorbeeld van een overspannen vragen naar de komst van het Koninkrijk Gods. Jan van Leiden werd in 1509 geboren in Leiden. Dus in het zelfde jaar als Calvijn. In het komend jaar is dat 500 jaar geleden. Zijn jeugd werd gekenmerkt door een oprecht zoeken naar God en Zijn wil. Hij was de gelukkige bezitter van een eigen bijbel. Die gebruikte hij als hoofdkussen en hij ging er op zitten. Hij kende hem van voor naar achter en van achter naar voren. Toen hij in Münster de leiding ging geven aan de anabaptisten (wederdopers) sloeg hij door – een overspannen verwachting. Hij stichtte het Nieuwe Jeruzalem, maakte alle goederen tot gemeenschappelijk bezit, verbood 's nachts de deur op slot te doen (Iedereen was toch wedergeboren!), riep zichzelf uit tot koning, stelde de polygamie in en nam zich zestien vrouwen. Hij bracht burgers om het leven die zich verzetten tegen het Koninkrijk van God. Wie zich wel en niet tegen Gods gebod verzetten, dat maakte hij zelf uit. Maar hij vergiste zich deerlijk. Het Koninkrijk was niet gekomen. Daar was geen paradijs, maar één grote dwingelandij. Münster moest ontzet worden en Jan van Leiden werd gemarteld en in een ijzeren kooi aan de toren van de Lambertuskerk gehangen als afschrikwekkend voorbeeld van wat er gebeurt als je jezelf uitroept tot koning van het Nieuw Jeruzalem.

Het tragische van heel dit Münsterse avontuur is eigenlijk, dat het begint met een oprechte vroomheid, een oprecht zoeken naar de wil van God. Dat is advent – verlangen naar de komst van Gods heil. Maar daar waar mensen het wachten moe zijn en de spanning niet meer kunnen verdragen, daar beginnen ze God voor de voeten te lopen. Dat deed Jan van Leiden ook, toen hij in Münster het oudtestamentische koningschap kopieerde en de nieuwtestamentische goederengemeenschap verplicht stelde. Paulus spreekt in II Thess. 2 over de antichrist die in Gods tempel gaat zitten en zichzelf tot God uitroept. Het leven van Jan van Leiden kreeg op den duur de trekken van deze antichrist, terwijl hij toch zo goed begonnen was. Waar overspannenheid in het geloof al niet toe leiden kan!

Ook vandaag kunnen er uitingen zijn van overspannenheid in het geloof. Dat vind je bijvoorbeeld bij mensen die geen oog meer hebben voor de gebrokenheid van het leven en dit bestaan – mensen die niet meer bidden om genezing, maar alleen nog maar het heil claimen bij God. Dat vind je bij de terroristen die in naam van God het laatste oordeel voltrekken en de ongelovigen als honden neermaaien met machinegeweren. Wij moeten op onze hoede zijn. Overspannenheid is gevaarlijk, zeker overspannenheid in het geloof. Overspannen gelovigen lopen God voor de voeten, lopen op een doldrieste manier op zijn komst vooruit. En omdat ze teveel op hun eigen inzicht vertrouwen en niet meer biddend hun weg gaan, maken ze levensgrote brokken.

Hoe kunnen wij een gezonde adventsgemeente zijn? Dat is de vraag vanmiddag. In de eerste plaats zouden we eens kunnen letten op de dichter van Psalm 27. Die zegt aan het slot van zijn psalm: "Mag ik niet verwachten de goedheid van de Here te zien?" Natuurlijk mag hij dat verwachten. Maar hij voegt er wel aan toe en hij spreekt als het ware zichzelf toe: "Wacht op de Here, wees dapper en vastberaden. Ja wacht op de Here."

Of let ook eens op de Heidelbergse Catechismus, waarin benadrukt wordt dat Jezus in de hemel is en vandaar uit alles bestuurt. Híj is het die ons beschermt en hij is de rechter – niet wij. Hij haalt ons naar de hemel en aan het eind van zondag 19 staat dan: "Ik weet dat ik dan voor altijd gelukkig zal zijn. Daarom kan ik het verdriet en de vervolging van nu vol vertrouwen doorstaan." Dat toekomstperspectief laat ons de spanning verdragen en leert ons in tegenspoed geduldig te zijn.

Of let ook eens op II Thess. 2, waar Paulus zegt: Raak niet in paniek. Vertrouw op de Here. Hij heeft ons uitverkoren. En hij voegt er een gebed aan toe: Moge God u geven blijvende steun en goede hoop. Moge hij u sterken in wat u doet en zegt. Dat alles helpt ons om te volharden in een gezond adventsgeloof, dat de spanning verdragen kan.

Misschien zeggen we wel aan het eind van de preek: Maar dat ‘komen' van God – we wachten al zo lang! Dat denk ik soms ook wel eens. Dat is een speciaal soort beproeving. En toch blijf ik geloven dat er een tijd komt waarin alles volmaakt wordt – een tijd waarvan Isaac da Costa zingt:

Als de Here God in allen,
En in allen alles is,
zal het licht zijn, eeuwig licht zijn,
licht uit licht en duisternis.
(Liedboek Gezang 292)

Amen.