preek 31 augustus 2008

Preek gehouden in de Veldkampkerk op zondag 31 augustus 2008 (morgendienst). De lezingen waren: Psalm 25 en I Johannes 2:1-6. Na de lezing is gezongen Psalm 25:2 en na de verkondiging Gezang 460:1,2,3.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Trutz Rendtorff, een Duitse theologe vertelde eens aan de vader en moeder van een vriendin, dat ze predikant wilde worden. Dat was aanleiding tot een gesprekje. De man zei: "Ik was enige weken terug ook nog 's in een kerk." Trutz vroeg: "En waar had de dominee het over?" De man zei: "Nou, over de zonde natuurlijk." "En wat vond hij daarvan" vroeg toen zijn vrouw… "Nou, hij was erop tegen." Oppervlakkiger kan er denk ik niet over de zonde gesproken worden – zonde als iets waar je vóór of eventueel tegen kunt zijn.

Wij gebruiken het woord zonde of zondigen soms op een heel onschuldige manier, waarmee we de ernst van de zaak volstrekt onschadelijk maken. Ik kwam laatst op een avond bij de Veldkampkerk. Daar hielden ook de Weight Watchers hun wekelijkse samenkomst. Komen er twee dames naar buiten. Eén kijkt een beetje bedremmeld, omdat ze teveel aangekomen is. Zegt ze tegen haar vriendin: "Nou, ik begrijp er niks van. Ik heb de hele week niet gezondigd." Dan kijk je als predikant wel een beetje vreemd op als ze de kerk uitkomen en zeggen: "…de hele week niet gezondigd."

Kennen wij nog wel de ernst van de zonde? Zonde is niet zoiets als een technische fout, die je kunt corrigeren, zodat alles daarna weer keurig verloopt. Zonde is niet zoiets als een weigerend computerprogramma, dat je opnieuw installeert – een handleiding die je niet goed gelezen hebt of een bedieningsvoorschrift, dat je over het hoofd hebt gezien. Zonde gaat veel dieper dan een foutje in het systeem, een zaak waar je voor of tegen kunt zijn of een dieet waar je een loopje mee neemt. Zonde dat is uitsluitend leven uit jezelf en voor jezelf. Zonde dat is een leven dat afgesneden is van God en daarom verloren gaat.

In de eerste brief van Johannes zegt de apostel: "Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt." Deze brief is waarschijnlijk geschreven aan het eind van de eerste eeuw. Misschien wel aan de gemeente van Ephese of de omringende gemeenten daar in Klein Azië. Er waren er daar – Johannes noemt ze anti-christen (2:19) of pseudo-profeten (4:1) – die gekomen waren tot een geweldige onderschatting van de zonde. Ze meenden dat ze in een toestand van verlichting waren geraakt. Ze konden niet meer zondigen! Gods geboden hadden ze niet meer nodig. En ze konden als het erop aan kwam ook wel zonder Christus. Intussen was er echter veel onheiligheid in de levens van deze zgn. verlichte geesten…

Ook vandaag zijn er veel mensen die de kracht van de zonde onderschatten. Er zijn nogal wat boeken op de markt over religieuze zelfverwerkelijking, mystieke eenwording met God, de zoektocht naar het hogere, de weg van de esoterie. Maar of het leven van die zoekers en denkers en goeroes wel zo heilig is, dat valt hier en daar te betwijfelen. Johannes zou zeggen: Ze beweren dat ze het licht gezien hebben, maar ze wandelen in de duisternis. Als je zegt dat je God kent en intussen zijn geboden niet doet, dan ben je een leugenaar. De ware kennis van God (gnosis!) is het doen van Zijn geboden.

Laten we de kracht van de zonde dus niet onderschatten. Wij hebben in ons de altijd aanwezige drang om los van God te leven, louter voor onszelf en uit onszelf. Wij geven daaraan toe of we overwinning die drang met Gods hulp. Luther zegt in zijn geschrift De servo arbitrio (over de gebonden wil) dat de mens als een ezel is, die nu weer door God en dan weer door de duivel bereden wordt. Daarom moeten we steeds weer vragen om Gods leiding – of Hij ons besturen wil. En een leven dat God accepteert als Heer en meester kan niet in tegenspraak zijn met Zijn geboden. Daarom zegt Johannes: God kennen is zijn bevelen doen. Ware Godskennis is niet een zweverig gevoel van verlichting. Het is gehoorzaamheid. Zo vinden we de waarheid. Zo wordt Gods liefde openbaar in ons leven en in de gemeenschap. Het geloof is niet zo hoog en wonderbaar. Het is ook niet zo diep(zinnig). Het is leven in gemeenschap met God door te doen wat Hij ons heeft gezegd. En dat wordt samengevat in het dubbelgebod van de liefde. En toch is daar altijd weer die drang om zelf-genoeg-zaam te leven. Ook als we al gedoopt zijn! Dat blijft. De doop wordt ons slechts een maal bediend. Maar elke avond mogen we vragen of Jezus ons de voeten wil wassen, want die zijn stoffig geworden op de weg van het leven.

Er is een prachtige psalm die in dit verband gelezen kan worden. Psalm 25. Toegeschreven aan David. De dichter heeft spijt van zijn zonden en ongerechtigheden. Maar hij weet dat God barmhartig is en de zonden vergeven wil. God wil mensen ook de weg wijzen: Goed en rechtvaardig is de Here. Hij wijst zondaars de weg! Als je je daar naar uitstrekt leer je Gods vertrouwelijke omgang vinden – Zijn verbond kennen. Johannes spreekt over het gaan in de voetstappen van Jezus. Zo brengt hij je bij God. Zo leer je God kennen. Zo vind je een weg waarop je zegen mag verwachten en tot een zegen bent. En dan raak je niet verloren in ongerechtigheid en schuld. Dat zou zonde zijn! Amen.