Meditatie uitgesproken tijdens het avondgebed op 4 mei 2008 in de Plantagekerk als toeleiding naar de dodenherdenking op de openbare begraafplaats Oostergaarde te Harderwijk. Het psalmengebed was Psalm 116. De lezing was I Petrus 4:12-19
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
In het Centraal Weekblad van deze week staat het verhaal van Koert Kolthof, 83 jaar, wonend in het verzorgingstehuis De Schutse te Coevorden. Hij haalt herinneringen op uit zijn onderduiktijd. Zoals zo velen moest hij naar Duitsland, maar zijn vader, een accountant uit Hoogezand, zei "Doe gaist nait." Daarom dook hij onder op een boerderij in Wildervanck bij de familie Schuringa. Op een dag als er niemand thuis is staat er plotseling een landwachter voor de deur. In paniek vlucht Koert aan de achterzijde het huis uit de tuin in. Daar zegt opeens de vrouw van de buurman, die een NSB-er was: "Ga maar bij ons op zolder zitten. Daar komen ze toch niet. ‘Een wonderbaarlijke redding' noemt Kolthof dat en hij haalt zijn lievelingspsalm aan: Psalm 91:9 "Ik heb U tot mijn Schutse gesteld."
Vandaag is het 4 mei, de dag van de dodenherdenking. Veel herinneringen uit de tijd van 40/45 zullen weer opkomen bij diegenen die deze tijd, inmiddels langer dan zestig jaar geleden, kunnen overzien. Ongetwijfeld zijn er ook onder ons die herinneringen bewaren aan de oorlog of daarvan hebben horen vertellen door hun ouders. Straks is daar weer de nationale dodenherdenking om 8 uur.
Ons psalmengebed figureert heel mooi in deze context: Psalm 116: Banden van de dood omknelden mij. Angsten van het dodenrijk grepen mij aan. Ik voelde angst en pijn. Toen riep ik de naam des Heren aan: Here red toch mijn leven… Met pijn ziet de Here de dood van zijn getrouwen… Hoe kan ik de Here vergoeden, wat Hij voor mij gedaan heeft?
Wij beperken ons bij de dodenherdenking niet alleen tot degenen die in ons land zijn omgekomen onder het NAZI-regime, maar denken ook aan de slachtoffers in Indonesië en aan degenen die sneuvelden bij een missie van de VN. Ook in Afghanistan hebben wij inmiddels doden te betreuren, jongens die hun leven hebben gegeven om vrede en veiligheid te brengen in dat zo zwaar geplaagde land. Wij denken aan hen terug met respect en leven mee met hun familieleden.
Minister president Jan Peter Balkenende opent morgen in Rotterdam het bevrijdingsfestival met het aansteken van het bevrijdingsvuur. Op de vraag wat vrijheid voor hem betekent zegt hij: "Het is het kostbaarste bezit dat een mens kan hebben. Ik denk in diepe dankbaarheid terug aan hen die ruim zestig jaar geleden gevochten hebben voor onze vrijheid. Het is nu aan ons die vrijheid intact te houden. Dat kan door respect te tonen voor elkaars verschillen, maar het is ook nodig om ons actief te weer te stellen tegen hen die de vrijheid bedreigen. Daarom werken Nederlandse militairen in een land als Afghanistan mee aan het realiseren van stabiliteit en veiligheid."
De epistellezing is vandaag volgens het oecumenisch leesrooster I Petrus 4:12-19. In deze Paas- en doopbrief aan de lijdende kerk ondergaat de gemeente de ‘vuurdoop'. Er is een vervolging van de christenen uitgebroken. De tijd van speldenprikken en plagerijen (Plooy) is voorbij. Het blijkt dat lijden ter wille van Christus helemaal niets uitzonderlijks is. Petrus heeft het niet over het lijden van iemand die zijn verdiende loon krijgt vanwege bedreven boosheden. Hij heeft het over degenen die de macht van de boze weerstaan en daarvan schade ondervinden. Het is opmerkelijk dat hij het lijden ook verbindt met het oordeel van God. Het oordeel begint bij de gemeente. Het lijden is voor de gelovige een loutering! De gemeente ontkomt ter nauwernood door de smalle poort – a narrow escape. Maar wie zich niet bekeert en in het kwade volhardt, zal door het oordeel teniet worden gedaan. Zo is het lijden voor de christen een erezaak: gemeenschap aan het kruis van Christus om ook te delen in zijn overwinning.
Petrus roept ons op om onze ziel aan onze getrouwe Schepper over te geven en het goede te blijven doen ook als wij lijden moeten. Nu valt dat lijden ter wille van Christus in ons werelddeel momenteel nogal mee. Maar als je in islamitische landen woont dan ervaar je heel duidelijk wat vervolging betekent! Open Doors roept al enige jaren op om op de zondag na Pinksteren te bidden voor de lijdende kerk. De organisatie wijst erop dat er nu ook in India vervolging van Christenen plaatsvindt door de extremistische Hindoe-beweging RSS. Op 15 mei verschijnt er bij het boekencentrum een boek van Ronald Boyd-MacMillan over Volharden in geloof; een onthullende gids over de wereldwijde vervolging van de kerk. Daarin lezen we er meer over.
Veel verzetsmensen in 40/45 hebben hun werk gedaan en vaak hun leven gegeven in het vertrouwen op God – op de manier die Petrus beschrijft. Zij streden in Gods naam tegen een demonische verafgoding van de macht. Zij gingen het lijden niet uit de weg in het besef dat wie met Christus lijdt ook met hem zal overwinnen. Zo zijn er ook nu nog wereldwijd christenen die hun stem verheffen tegen onrecht en geweld – mensen, gelovigen zoals wij, die de liefde en de vrede van Christus verkondigen met woorden en daden. Wij mogen alleen maar bidden en hopen dat wij ook die kracht ontvangen als wij nog eens in zulke omstandigheden komen te verkeren. En wij willen niet nalaten om te bidden voor onze broeders en zusters die gevangen zitten of gediscrimineerd, bedreigd en gemarteld worden ter wille van hun Christus-getuigenis.
Op deze vierde mei is ons gebed voor allen wereldwijd die geen vrijheid kennen. Vandaag is ons gebed voor de jeugd – dat ze mogen leren beseffen wat een groot goed vrijheid is en hoe duur daarvoor betaald is – dat ze mogen leren dat alleen Christus waarlijk vrijmaakt en vrede geeft. Vandaag is ons gebed voor allen die ons land besturen en die in een multiculturele en multireligieuze samenleving geroepen worden om de vrede te bewaren. Vandaag gedenken we en bidden we om vrede.
Tot slot lees ik enkele strofen uit Het lied der achttien doden van Jan Campert. Hij schreef dat naar aanleiding van de executie van 15 verzetsstrijders en 3 februaristakers die op 13 maart 1941 op de Waaldorpervlakte plaatsvond:
Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed
wel kleiner nog is het stuk grond
dat ik nu nog niet weet
maar waar ik naamloos rusten zal
mijn makkers bovendien
wij waren achttien in getal
geen zal de avond zien
Ik wist de taak die ik begon
een taak van moeite zwaar
maar 't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd
voordat de vloek'bre schennershand
het anders heeft begeerd
Ik zie hoe 't eerste morgenlicht
door 't hoge venster draalt
mijn God, maak mij het sterven licht –
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan
schenk mij dan uw genâ
opdat ik heenga als een man
als ik voor de loopen sta.
Amen.