Preek gehouden op zondag 8 februari 2009 in de Stadsdennenkerk te Harderwijk. De lezing was Marcus 1:29-38. De tekst was vers 31: Hij ging naar haar toe, pakte haar vast en hielp haar overeind. Toen verliet de koorts haar en ze begon voor hen te zorgen.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Advent en Kerst liggen nog niet zo ver achter ons. Aan het begin van dit kerkelijk jaar zijn we met lezingen begonnen uit het boek Marcus. In het kerkelijk jaar 2007-8 lazen we Mattheus – dat was jaar A. Dit jaar 2008-9 is jaar B en lezen we Marcus. Volgend jaar zullen we Lukas lezen. Dat is een van de goede kanten van het leesrooster, dat we elk kerkelijk jaar een evangelie lezen – van het begin tot het einde. Daar leven we immer bij, bij het evangelie van Jezus Christus. Daarom moeten we het steeds weer lezen. Van het begin tot het eind.
Vandaag vinden we Jezus aan het begin van zijn optreden in Kapernaum. Daar was hij namelijk gaan wonen toen hij uit Nazareth wegging uit het ouderlijk huis (Matth. 4:13). Kapernaum lag aan het meer van Galilea. Daar woonden in zijn tijd zo'n 1000 mensen. Er was voor een jonge rabbi als Jezus wellicht meer kans om zijn vleugels uit te slaan dan in Nazareth. Hij vindt er in ieder geval zijn leerlingen aan de oever van het meer waar de bedrijvigheid was van de visserij. Daar bezoekt Jezus de synagoge. Daar was hij de gast of logeerde voor langere tijd in het huis van zijn vriend Simon, de latere Petrus.
Voor mijn amtsjubileum kreeg ik onlangs een boek over de archeologie van de bijbel in vogelvlucht. Dat is ook letterlijk een boek in vogelvlucht, want er staan luchtfoto's in genomen uit de helikopter. Aan de foto's boven de ruïnes van Kapernaum zie je goed dat het stadje aan het meer lag. Daar zijn de omtrekken van de oude synagoge. Die uit Jezus' tijd werd later prachtig herbouwd in Hellenistisch – Byzantijnse stijl. Nu ook een ruïne. Je kijkt ook op een achthoekige constructie die de plaats aangeeft waar vroeger een kerk was, gebouwd boven het huis van Petrus. Hier heeft zich de geschiedenis afgespeeld die we gelezen hebben. Je stelt het je voor: Jezus komt uit de synagoge. Hij wandelt met zijn vrienden terug naar huis. Ze komen bij het huis van Petrus en deze begint over zijn schoonmoeder die met koorts op bed ligt.
Sommige vermoeden dat die vrouw het niet erg op Jezus had. Schoonzoon Petrus was kort geleden thuisgekomen. Hij had het vissersvak eraan gegeven, de boot en de netten misschien wel verkocht. En dat kwam allemaal door die rabbi Jezus die daar uit Nazareth gekomen was. Die had haar schoonzoon het hoofd op hol gebracht. Hoe moest dat nu met de broodwinning? Het brood op tafel? Misschien was ze daar wel een beetje ziek van – koortsig vanwege de verhitte discussies die ze met haar schoonzoon had gevoerd. Tenminste, ik stel me zo voor dat de meeste schoonmoeders nog steeds zo zouden reageren. Als je schoonzoon een goede opleiding of baan laat schieten en zegt: Ik ga de geloofszending in en zal voortaan van giften moeten leven. Dan zeg je ook ‘ja maar', hoe moet dat met mijn dochter en met jullie kinderen?!
Nu lezen we in onze tekst wat Jezus doet en dat vers mag je rustig een van de kortste samenvattingen van het evangelie noemen. Jezus grijpt haar bij de hand en helpt haar overeind. Dan verlaat de koorts haar en ze begint te dienen en te bedienen. Ik heb wat beter naar de woorden gekeken en dat geef ik u vandaag mee. Het zijn er eigenlijk drie.
Het eerste woord is ‘overeind helpen'. In de vorige vertaling staat ‘Jezus richtte haar op'. Het is hetzelfde woord als bij de opstanding van Jezus. Als er gezegd wordt dat Jezus werd opgewekt… Als Jezus je bij de hand grijpt dan wordt je overeind gezet, op je voeten; dan wordt je opgericht. Opstaan met Jezus, dat is opstaan uit de dood. Ik denk dat heel veel mensen dat ook nu nog ervaren. Als Jezus je aanraakt wordt je op je voeten gezet en krijg je deel aan de opstanding. Letterlijk en figuurlijk overkomt dat mensen – dat ze kracht ontvangen van Jezus om op te staan en verder te gaan.
Het tweede woord is ‘verlaten' – de koorts die de schoonmoeder van Petrus verliet. Dat woord ‘verlaten' komt opvallend veel voor hier in Marcus. Het kan van alles betekenen, zoals laten liggen (Petrus laat zijn netten liggen) of achterlaten (Jakobus en Johannes laten hun vader achter in het schip) of prijsgeven (alles prijsgeven en Jezus volgen) of verlaten (de koort verliet haar) of loslaten (demonen laten de mensen los) of vergeven. Evangelie betekent misschien wel ten diepste ‘loslaten' en ‘ losgelaten worden' door mensen, machten en gedachten die jou gevangen houden, knechten en in de kramp brengen.
Psychologen en psychotherapeuten kunnen u / jullie ervan verzekeren hoe belangrijk het is om eindelijk eens los te laten, die verslavende gewoonte, dat oud-zeer, die traumatische gedachte, dat fiasco van jaren terug, die angst voor de toekomst, dat dwangmatige zorgen, die emotionele binding… Loslaten en losgelaten worden – dat heeft wat met het evangelie van doen.
De schoonmoeder van Petrus wordt losgelaten en komt in de vrijheid te staan. Zo ontstaat er in haar leven ruimte om te (be)dienen. Dat is het derde woord voor vandaag: dienen. Er staat diakonia. Evangelie is dienst der bevrijding. Mensen worden bevrijd van bindingen en komen beschikbaar om elkaar te dienen, in dienst van Jezus te staan.
Zo staan daar in één bijbelvers drie prachtige grondwoorden die de hoofdsom van het evanglie omvatten: Opgericht worden (opstaan), losgelaten worden (loslaten) en beschikbaar komen (dienen). Ze staan ook geschreven over het leven van …, die de doop ontving. Gedoopt worden is aangeraakt worden door de Heer – Hij die ons opricht, vrijmaakt en leven doet. Hem komt onze lof toe. Nu en altijd. Amen.