Preek op zondag 8 maart 2009 in de Stadsdennenkerk te Harderwijk, 10.00 uur. De Lezingen waren: Exodus 24:9-18 en Marcus 9:2-10 (zondag reminiscere). De gezongen liederen waren die van de dienst die gehouden werd op woensdagavond 5 maart 1969 bij de ingebruikname van het kerkgebouw nu veertig jaar geleden. Zie daarvoor op deze website > wijkgemeente > Stadsdennenkerk > geschiedenis Stadsdennenkerk > het op deze pg. aangegeven pdf-bestand.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Toen ik in Israël was, heb ik de berg Tabor zien liggen als een soort molshoop in de vlakte van Jizreël, iets ten Zuid Oosten van Nazareth, 588 meter hoog. Vanouds is dit de plaats waar volgens de traditie de verheerlijking van de Here Jezus plaats heeft gevonden: de transfiguratio Domini. Dat staat ook onder de prachtige afbeelding van deze gebeurtenis in de apsis van de Franciscaner kerk die nu op de Tabor staat. Op de halfronde koepel zien we Jezus in zijn witte kleed, de armen uitgespreid naar boven, de ogen opwaarts gericht. Rechts van hem op een wolk zien we Mozes met de twee stenen tafelen en links van hem ook op een wolk Elia met een boekrol in zijn handen. Iets lager zien we dicht bij de aarde de drie discipelen Petrus, Johannes en Jakobus.

We staan vanmorgen stil bij het bergmotief uit het leven van Jezus. Veel later in het evangelie vinden we Jezus nog een keer op de Tabor. Als hij is opgestaan uit de dood, gaat hij zijn discipelen voor naar Galilea en vaart op naar de hemel vanaf de berg die hij hen genoemd had. De traditie wil dat ook dit de Tabor is geweest. Die was in heel Galilea goed te zien, vanaf de Karmel in het Westen tot het meer van Genesareth in het Oosten. Maar tussen de verheerlijking en de hemelvaart treffen we Jezus ook nog op een andere berg. Dat is de Olijfberg met de hof van de olijven: Getsemané! Dat is betekenisvol: De Tabor, de Olijfberg en weer opnieuw de Tabor.
Blijkbaar kan en wil Jezus de heerlijkheid van de Tabor niet vasthouden. In Markus 8 is voor het eerst uitgesproken dat Jezus de Christus is, De Gezalfde, de Messias. Woorden van Petrus zijn het geweest, uitgesproken hoog in het Noorden bij Banias, bij de bronnen van de Jordaan. Deze plaats werd in Jezus' dagen Caesarea Philippi genoemd. "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God." Direct daarop klinkt in Markus 8 ook voor het eerst het woord ‘kruis' en spreekt Jezus voor het eerst over zijn lijden. En dan in hfdst. 9 is daar ineens zijn verheerlijking, zijn transfiguratie. Even maar, als een soort bevestiging vooraf. "Deze is mijn Zoon, de Geliefde in wie Ik mijn welbehagen heb." Zo klinkt het uit de hemel. Daarna is het direct weer weg.
Petrus wil het niet waar hebben. Als Jezus spreekt over zijn kruis en zijn lijden, zegt hij: Nee, Heer! Dat niet. Dat moet niet gebeuren. En als Jezus straalt van heerlijkheid wil hij die top-ervaring vasthouden, er een tent voor bouwen. Jezus bestraft Petrus en gaat niet op zijn uitnodiging in: Geen heerlijkheid zonder lijden. Later zegt hij het ook in alle duidelijkheid tegen de Emmaüsgangers, Cleopas en zijn anonieme metgezel: Wisten jullie dan niet, dat de Messias lijden moest om in zijn heerlijkheid in te gaan?! Als ze de Tabor afdalen waarschuwt Jezus zijn drie vrienden, dat ze niet mogen vertellen wat ze gezien hebben. Het is uit voorzorg. Ze zouden misschien voortijdig over Jezus' heerlijkheid kunnen spreken en aan zijn lijden voorbijgaan! Eerst moeten ze zwijgen en zien wat er gebeuren gaat. Ze kunnen later nog vaak genoeg getuigen van Jezus' heerlijkheid. Na Goede Vrijdag en Pasen!
Ik kom nog een keer terug op de mooie afbeelding van Jezus in de Franciscanerkerk op de Tabor. Als je hem daar ziet tussen Mozes en Elia in dan besef je opeens hoezeer hij de vervulling is van het Oude Testament. Mozes die ook ooit eens de berg opging met zijn drie vrienden Aäron, Nadab en Abihu. De man van de Exodus, die met Jezus spreekt over diens Exodus die hij te Jeruzalem zal gaan volbrengen (Lk 9:31). En Elia als de grote hoeder van de Torah. Hij bemoedigt Jezus om de weg van de ware gerechtigheid te gaan. Dat is wat Jezus gaat doen. Bevrijding brengen van duivel en dood en alle gerechtigheid vervullen.
Het is voor ons vandaag een gedenkwaardige dag. We zingen de liederen van veertig jaar geleden. Deze kerk werd op 5 maart 1969 ingewijd met een feestelijke dienst. Veel mensen zijn sindsdien in- en uitgegaan. Veel lief en leed werd hier gedeeld. Hier werd Gods woord verkondigd en de lofzang gaande gehouden. Volop gemeente zijn we geweest en we zijn het nog. Dat is iets waar wij blij mee zijn en waar we God dank voor brengen. De vraag is vandaag of de lezing volgens rooster ook enig licht werpt op dit jubileum – dit jubileum van veertig jaar.
Dit huis mag iets hebben van een tent. De tent van Psalm 27, waar we straks nog uit zingen: "God bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads. Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent." Voor de oude Israëliet was die tent de tabernakel, de tent van de samenkomst. Het zichtbaar teken van Gods aanwezigheid temidden van zijn volk. Zo vieren wij ook vandaag op deze plaats Gods aanwezigheid. Zo zal Christus zelf als de Verheerlijkte Zoon van God volgende week gastheer zijn bij de viering van het avondmaal. Hij is ons zeer nabij gekomen. Mens onder de mensen. Hij heeft de krachten die ons kleinhouden overwonnen. En hij wil in ons midden zijn als onze Held en Heiland.
Toch mag deze tent niet de tent van Petrus worden op de Tabor – de tent waarin we Christus en zijn heerlijkheid willen vasthouden, opsluiten en voor onszelf houden… Christus daalde van de Tabor af en engageerde zich met bange en boze mensen. Op de berg van de olijven en de heuvel Golgotha deelde hij in de diepste diepte van hun nood. Daar baande hij voor hen de weg tot God, de weg omhoog. Alleen die weg van solidariteit en (mede-)lijden bracht hem opnieuw op de top van de Tabor.
Christus vraagt van ons om altijd weer met hem die weg te gaan door lijden heen tot heerlijkheid. Zoals hij zegt in Markus 8:34 – "Ons kruis op ons nemen en achter hem komen". Met anderen een weg van bevrijding gaan zoals eens Mozes. Zoeken naar het recht en de gerechtigheid van de Torah zoals eens Elia. Navolgers worden van Christus die voor ons duivel en dood overwon en die ons maakt tot zijn handen en voeten. Alleen als we delen in Christus' lijden, zullen we delen in zijn heerlijkheid en met hem op de Tabor staan in witte klederen. Amen.