Het vierhonderdste geboortejaar van Paul Gerhardt herdacht 1607 – 2007.
Paul Gerhardt (schilderij van Emil Fröhlich)
Het is zomer en het is vierhonderd jaar geleden dat de dichter Paul Gerhardt geboren werd in Gräfenhainichen (Sachsen). Een mooie gelegenheid om iets te vertellen over een prachtig zomerlied van deze Evangelisch Lutherse predikant die voor het kerklied zo belangrijk geworden is. Gerhardt (1607-1676) leefde in de tijd van de dertigjarige oorlog (1618-1648) die veel verwoesting en ellende in Duitsland bracht. Zijn biografie is ook niet zo opwekkend. Hij studeerde theologie maar kreeg geen predikantsplaats. Toen werd hij huisleraar in Berlijn. Daar werd hij bevriend met Johann Crüger, de cantor van de Nicolaikerk. Pas op 44-jarige leeftijd kreeg Gerhardt een aanstelling (als Prost) in de kerk van Mittenwalde. Later werd hij predikant van de Nicolaikerk in Berlijn waar hij met Crüger samenwerkte van 1657 tot 1662. Crüger schreef melodieën bij veel van zijn gedichten. In de periode van de dertigjarige oorlog verloor Gerhardt vier van zijn vijf kinderen. In 1667 werd hij uit zijn ambt gezet omdat hij weigerde in te stemmen met het Toleranzedikt[1] van de gereformeerde Kurfürst Friedrich Wilhelm van Brandenburg. Kort daarna verloor hij zijn vrouw Anna Maria Berthold. De laatste jaren van zijn leven werkte hij als predikant in Lübben, dat toen niet tot Brandenburg maar tot Kursachsen behoorde.
Nikolaikirche Berlin, gravure 1740
In 1640 gaf Johann Crüger een liedbundel uit die hij de naam meegaf: Praxis Pietatis Melica – Das ist Übung der Gottseligkeit in christlichen und trostreichen Gesängen. De herdruk van 1647 bevatte 18 liederen van Gerhardt en de vijfde druk in 1653 reeds 82. In 1667 gaf Johann Georg Ebeling, de opvolger van Crüger, het eerste verzameld werk van Gerhardts liedteksten uit: ‘Geistliche Andachten'. Dit werk bevatte 120 liederen. De huidige bundels van de Evangelisch Lutherse en Reformierte kerken in Duitsland bevatten altijd nog een kleine dertig liederen van Paul Gerhardt. In het Liedboek voor de kerken zijn 13 liedteksten van Gerhardt opgenomen.

Johann Crügers 'Praxis Pietatis Melica' (links) en Paul Gerhards ‘Geistliche Andachten' (rechts). Voor een fullscreenweergave: klik op de foto's.
Een van Gerhardts mooiste liederen is ‘Geh aus, mein Herz, und suche Freud; in dieser lieben
Sommerzeit'. We vinden het in het Evangelisches Kirchengesangbuch nr. 371[2]. De tekst is hieronder afgedrukt. In de rechter kolom vinden we de vertaling van Ad den Besten. Daarvan zijn zeven coupletten in het Liedboek voor de kerken opgenomen. De coupletten die rood afgedrukt zijn werden door de Liedboekcommissie buiten de tekst gehouden ‘ter wille van de bondigheid'. In de vertaling zijn de strofen 2 – 6 teruggebracht tot de strofen 2 en 3[3]
|
1. Geh' aus mein Herz und suche Freud |
Ga uit, o mens, en zoek uw vreugd, |
|
In dieser lieben Sommerzeit |
Nu in de lente zich verheugt |
|
An deines Gottes Gaben |
Al wat er leeft op aarde! |
|
Schau an der schönen Gärtenzier |
De gaarden zijn op 't schoonst gesierd |
|
Und siehe wie sie mir und dir |
Opdat gij 't lieve leven viert |
|
Sich ausgeschmücket haben |
Dat God u openbaarde |
| 2. Die Bäume stehen voller Laub | De bomen staan in blad gezet |
| Das Erdreich decket seinen Staub |
De aarde dekt haar naaktheid met |
| Mit einem grünen Kleide |
Een lichte groene wade |
| Narzissen und die Tulipan | En tulp en narcis evenzo: |
| Die ziehen sich viel schöner an | Veel heerlijker dan Salomo |
| Als Salomonis Seide | Bekleedt ze Gods genade |
| 3. Die Lerche schwingt sich in die Luft | En vogels waar men hoort of ziet |
| Das Täublein fliegt auf seiner Kluft | De leeuwrik zingt het hoogste lied |
| Und macht sich in die Wälder | De zwaluw voedt haar jongen |
| Die hochbegabte Nachtigall | De bronnen ruisen overal |
| Ergötzt und füllt mit ihrem Schall | Loof Hem, in wie u eens voor al |
| Berg Hügel Tal und Felder | Het leven is ontsprongen |
| 4. Die Glucke führt ihr Völklein aus | |
| Der Storch baut und bewohnt sein Haus | |
| Das Schwälblein speist die Jungen | |
| Der schnelle Hirsch das leichte Reh | |
| Ist froh und kommt aus seine Höh | |
| In's tiefe Gras gesprungen | |
| 5. Die Bächlein rauschen in dem Sand | |
| Und malen sich an ihrem Rand | |
| Mit schattenreichen Myrten | |
| Die Wiesen liegen hart dabei | |
| Und klingen ganz vom Lustgeschrei | |
| Der Schaf' und ihrer Hirten | |
| 6. Die unverdroßne Bienenschar | De onverdroten bijenschaar |
| Fliegt hin und her, sucht hier und da | Vliegt af en aan, speurt hier en daar |
| Ihr edle Honigspeise | Naar 't zoete van de honing |
| Des süßen Weinstocks starker Saft | Het sap stijgt in de appelaars |
| Bringt täglich neue Stärk' und Kraft | En de kastanje, kaars aan kaars |
| In seinem schwachen Reise | Verlicht de wereldwoning |
| 7. Der Weizen wächset mit Gewalt | De akker wordt een gouden woud |
| Darüber jauchzet jung und alt | Daarin verblijd zich jong en oud |
| Und rühmt die große Güte | Roem dan de gunst en goedheid |
| Des, der so überflüssig labt | Van Hem die geeft in overvloed |
| Und mit so manchem Gut begabt | Hem, die het menselijk gemoed |
| Das menschliche Gemüte |
Verzadigt met zijn zoetheid |
|
8. Ich selber kann und mag nicht ruhn |
God heeft zijn schepping goedgedaan |
| Des großen Gottes großes Tun | Hoe zou ik zelf dan buitenstaan ? |
| Erweckt mir alle Sinnen | Hij heeft de dood verdreven |
| Ich singe mit, wenn alles singt | En ik zing mee, nu alles zingt |
| Und lasse was dem Höchsten klingt | Het lied dat overal weerklinkt |
| Aus meinem Herzen rinnen | De lofzang om het leven |
| 9. Ach denk ich bist Du hier so schön | Want is het, Heer, reeds hier zo schoon |
| Und läßt Du's uns so lieblich gehn | En geeft Ge-ons al zo heerlijk loon |
| Auf dieser armen Erde | Op deze arme aarde |
| Was will doch wohl nach dieser Welt | Wat heerlijkheid moet dan eenmaal |
| Dort in dem reichen Himmelszelt | Ons wachten in uw hemelzaal |
| Und güldnen Schlosse werden? | Gij ongeëvenaarde! |
| 10. Welch hohe Lust, welch heller Schein | Ja, welk een lentelijk festijn |
| Wird wohl in Christi Garten sein! | Zal het in Jezus' lusthof zijn, |
| Wie wird es da wohl klingen? | Hoe moet het daar wel klinken |
| Da so viel tausend Seraphim | Waar duizend serafijnen Hem |
| Mit unverdroßnem Mund und Stimm | Lofprijzen met hun gouden stem |
| Ihr Halleluja singen | En als de sterren blinken! |
| 11. Oh wär ich da, o stünd ich schon | O grote God, wat zijt Gij schoon! |
| Ach süßer Gott vor Deinem Thron | Ach, stond ik nu reeds voor uw troon |
| Und trüge meine Palmen! | Met al uw englen samen |
| So wollt ich nach der Engel Weis' | Ik zong zo onbezwaard als zij |
| Erhöhen Deines Namens Preis, | Uw naam lof, die geheiligd zij |
| Mit tausend schönen Psalmen | Hoog boven alle namen |
| 12. Doch gleichwohl will ich weil ich noch | Maar nu ik nog op aarde ben |
| Hier trage dieses Leibes Joch | De zwaarte van het lichaam ken |
|
Auch gar nicht stille schweigen. |
Zou ik ook nu niet zingen? |
| Mein Herze soll sich fort und fort | Ik wil dat hier en overal |
| An diesem und an allem Ort | Mijn hart uw lof verhogen zal |
| Zu Deinem Lobe neigen | Met alle stervelingen |
| 13. Hilf mir und segne meinen Geist | Zegen mijn hart, zegen mijn ziel, |
| Mit Segen, der vom Himmel fleußt, | Wat van U op haar nederviel |
| Daß ich Dir stetig blühe; | Dat moge haar doen bloeien |
| Gib, daß der Sommer Deiner Gnad | De lentetijd van uw gena |
| In meiner Seele früh und spat | Moog' in mijn binnenst voor en na |
| Viel Glaubensfrücht erziehe | Vrucht van geloof doen groeien |
| 14. Mach in mir Deinem Geiste Raum, | Maak mij dan tot een goede boom |
| Daß ich Dir werd ein guter Baum, | Geef dat ik naar de levensstroom |
| Und laß mich Wurzeln treiben; | Mijn wortels moge drijven |
| Verleihe, daß zu Deinem Ruhm, | Vergun mij, dat ik tot uw roem |
| Ich Deines Gartens schöne Blum | In uwen hof, o Heer, een bloem |
| Und Pflanze möge bleiben | Door U geplant mag blijven |
| 15. Erwähle mich zum Paradeis, | Verkies mij voor het paradijs |
| Und laß mich bis zur letzten Reis | Laat steeds opnieuw mijn dorre rijs |
| An Leib und Seele grünen; | Uitlopen en vrucht geven |
| So will ich Dir und Deiner Ehr | Dan zal ik altijd tot uw eer |
| Allein und sonstern Keinem mehr | Gereed staan en U dienen Heer |
| Hier und dort ewig dienen | Hier en in 't eeuwig leven |
Dit lied is ontstaan omstreeks 1650 in Mittenwalde en voor het eerst gedrukt in de tweede editie van Johann Crügers Praxis pietatis melica van 1653. We worden uitgenodigd ons te verwonderen over de schoonheid van de natuur, die beschreven wordt met de uitbundigheid van een mooie zomer. Reeds in de derde regel wordt duidelijk hoe we naar die natuur hebben te kijken: Het is een gave van God! De natuur wordt transparant tot op God. Zijn goedheid wordt daarin zichtbaar. In de eerste zeven strofen wordt de natuur in haar volle schoonheid ten tonele gevoerd, de bomen, de bloemen, de vogels, de beken, de weide, de schapen, de bijen, de wijnstok, het koren. Jesaja zou gezegd hebben: de bomen klappen in de handen ter ere van God de Schepper. Gerhardt roept het gevoel op van Psalm 104, de natuurpsalm waar zijn lied toch wel erg veel op lijkt! "O Heer, hoe groot moet dan uw wijsheid zijn; Gij hebt het al gemaakt, van groot tot klein." (Liedboek Ps. 104:7). Het is het gevoel dat zich ook sterk maakt bij het zingen van Gezang 479 uit het Liedboek: "Aan u behoort, o Heer der heren; de aarde met haar wel en wee… Laat dan mijn hart U toebehoren; en laat mij door de wereld gaan; met open ogen, open oren; om al uw tekens te verstaan." In strofe 8 vindt de omslag plaats van de beschrijving van de natuur naar de mens die haar beschouwt. Strofe 8 begint met "Ik". Als in stofe 9 sprake is van "deze arme aarde", dan ligt daarin samengebald al het verdriet dat de tijdgenoten van Gerhardt in de dertigjarige oorlog gezien en ervaren hebben. Maar de natuur is als een tuin – een lusthof! (strofe 1: Schau an der schönen Garten Zier…). En dat laat ons verlangen naar de volkomenheid bij God: "Welch hohe Lust, welch heller Schein; Wird wohl in Christi Garten sein!" (strofe 10). Die toekomst geeft ons moed om verder te gaan ondanks de ontberingen van deze tijd en dit leven (dieses Leibes Joch; strofe 12). Door de kracht van de Heilige Geest geleid (strofe 13 en 14) zullen we tenslotte ingaan in Gods paradijs waar we Hem eeuwig dienen mogen.
Kenmerkend voor dit lied is de mystieke ondertoon en de natuursymboliek, die niet in mindering worden gebracht op de lutherse rechtgelovigheid. De orthodoxie van de lutherse kerk wekte bij veel gelovigen in Gerhardts dagen een groeiend verlangen naar meer warmte en geborgenheid. Het was de predikant Martin Moller uit Görlitz die in die behoefte voorzag met de uitgave van zijn Meditationes Sactorum Patrum, een verzameling mystieke teksten uit de Middeleeuwen (twee delen in 1584 en 1591). Gerhardt maakte zich dit mystieke denken eigen, maar bleef intussen toch als luthers predikant "recht in de leer". Een tweede bron van inspiratie vormde het werk van Johann Arndt, Generalsuperintendent voor het hertogdom Lüneburg, die tussen 1605 en 1610 zijn Bücher vom wahren Christentum publiceerde. Bij hem vinden we dezelfde doorwerking van middeleeuwse mystiek die op lutherse bodem opnieuw vruchtbaar werd gemaakt. Met name diens Paradies-Gärtlein (1612) heeft op Gerhardt diepe indruk gemaakt. In al deze mystiek speelde de natuursymboliek steeds weer een bijzondere rol. De natuur is niet alleen werkelijkheid, maar ook symbool en gelijkenis. Zo is bijvoorbeeld de zomer een symbool voor het paradijs. ‘Geh aus, mein Herz, und suche Freud' is vol van deze natuursymboliek en eindigt met de wens in het paradijs te zijn.[4] Het lied staat in een lange, in de late Middeleeuwen aanvangende, traditie van geestelijke zomerliederen (= meiliederen, die, voorzover wij kunnen nagaan, in de ‘Minnesang' haar oorsprong heeft.[5] Een mooi voorbeeld van een zomerlied is ook Lied 288 uit het Liedboek voor de kerken: Eens komt de grote zomer waarin zich 't hart verblijdt.
De melodie van "Geh aus mein Herz, und suche Freud" was ten tijde van Gerhardt reeds bekend. In 1560 gaf Nikolaus Hermann een bundel uit met de titel Die Sonntagsevanglia über das Jahr in Gesänge verfasset für die Kinder und christlichen Hausväter. Daarin vinden we de melodie bij het lied ‘Heut singt die liebe Christenheit'. ‘Geh aus…' is dus een contrafact (een nieuwe tekst op een bestaande melodie). Wij vinden de melodie twee maal in het liedboek voor de kerken: Gezang 425 (Ga uit, o mens…) en Gezang 302 (het Kanaänlied van Tom Naastepad. ‘Heut singt…' is niet vertaald in het Liedboek opgenomen.

Een andere in Duitsland zeer geliefde melodie waarop het Gerhardtlied ‘Geh aus…' gezongen wordt is afkomstig van August Harder (Leibzig;1775-1813). Harder zette een lied op toon van de dichter Christoph Heinrich Höltys (Die Luft ist blau, das Thal ist grün) dat werd opgenomen in een door Friedrich Wilhelm Lindner (1779-1864) in 1814 uitgegeven bundel: Musikalischer Jugendfreund. Eine instructive Sammlung von Gesängen für die Jugend gebildeter Stände, sowohl für Schulen und Institute, als auch für den häuslichen Kreis geeignet. We vinden het hier onder.

(Strofe 1: Die Luft ist blau, das Thal ist grün, die kleinen Maienglokken bühn, und Schlüsselblumen drunter, der Wiesengrund ist schon so bunt, und malt sich täglich bunter, und malt sich täglich bunter; Strofe 2: Drum komme, wem der Mai gefällt, und freue sich der schönen Welt, und Gottes Vatergüte, die dieser Pracht, hervorgebracht, den Baum und seine Blüte, den Baum und seine Blüte.)
Toen Friedrich Heinrich Eickhoff het Frühlingslied van Höltys/Harder in 1836 af liet drukken in de bundel ‘Theomele', schreef hij in een bijlage dat Geh aus, mein Herz, und suche Freud van Gerhardt ook heel goed op de Harder-melodie gezongen kon worden. Vanaf die tijd vond de melodie ingang in de kerken – eerst nog schroomvallig bij openluchtdiensten… maar later gewoon in de eredienst![6] Voor Hollanders is dit ongeveer vergelijkbaar met Psalm 146, die niet alleen op de aloude psalmmelodie gezongen kan worden, maar ook op de veel vrolijker melodie van Joh. de Heer (nr. 446). Hieronder een driestemmige zetting van de Harder-melodie.

Wij denken met dankbaarheid terug aan het werk van Paul Gerhardt van wie dit jaar de vierhondertste geboortedag wordt herdacht. Wat invloed betreft staat hij op één lijn met Maarten Luther en Johann Sebastian Bach. De laatste nam een Gerhardtlied op in zijn Mattheüspassion en wel op een heel cruciale plek. Als Jezus het hoofd buigt en sterft zingt het koor: Wenn ich einmal soll scheiden, / so scheide nicht von mir… Daarmee kreeg Gerhardt voorgoed zijn plaats in het culturele erfgoed van de mensheid.
Tenslotte verwijs ik graag naar de prachtige site die door de EKD (Evangelische Kirche in Deutschland) wordt geredigeerd: www.paul-gerhardt-jahr.de
[1] Voor de tekst van het Toleranzedikt (1664) klik hier. Klik daarna op de tekst voor een vergroting.
[2] Evangelisches Kirchengesangbuch, Ausgabe für die Evangelisch-reformierte Kirche in Nordwestdeutschland, Gütersloher Verlagshaus, Luther Verlag, und Neukirchener Verlag, Gesang 371
[3] Een compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het liedboek voor de kerken, Amsterdam 1977, p. 959.
[4] P. Gerhardt, Geistliche Lieder, Stuttgart 1991, Nachwort von Gerhard Rödding, S. 147ff.; Johannes Arndt, Het derde boek van het ware christendom. Over de innerlijke mens, Vertaald en toegelicht door ds. J. Happee, p. 11, 132.
[5] Een compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken, Amsterdam 1977, p. 956 (commentaar van Ad den Besten).
[6] Gegevens over de Harder-melodie zijn ontleend aan Helmut Lauterwasser, August Harders Melodie zu Geh aus mein Herz, und suche Freud.