Essence-existence-concrescence
In de geschiedenis van het Paul Tillichgenootschap hebben we allerlei wegen beproefd om tot een dieper verstaan van zijn theologie te komen. Momenteel loopt die weg via de procesfilosofie van met name Whitehead. Wij verdiepen onszelf met onverdeelde aandacht in het denken van Whitehead, daarbij geholpen door de studie van Palmyre Oomen ‘Doet God ertoe?'. Later willen we tot een systeemvergelijking komen. Dat neemt niet weg dat je zo nu en dan een flash back hebt en (wellicht te snel) tot conclusies komt die het inzicht verdiepen.
Wie zich bezighoudt met het begrippen-apparaat van Whitehead komt al snel uit bij zijn basisbegrip concrescence. Zelf zegt hij daarvan dat het afkomstig is van het Latijnse woord voor samengroeien dat samenhangt met ons woord ‘concreet'. Inmiddels hebben we er samengevat het volgende van begrepen: 1. Concrescence is de wording van een actuele entiteit, maar let wel, zij is niet alleen het proces waarin de actuele entiteit ontstaat, het proces IS tevens zelf die actuele entiteit. 2. Het uiteindelijke principe waardoor die samengroeiing plaatsvindt is de ‘creativiteit'. 3. De concrescence wordt geconstitueerd door en is gericht op haar doel, dat ze in een eerste, nog vele nadere beslissingen vergende, versie (initial aim) aan God ontleent in specifieke relatie tot haar eigen uitgangssituatie, en dat ze gedurende de concrescence modificeert tot haar subjectieve doel. 4. Omdat de hele concrescence een toewerken is naar het (gemodificeerde) doel als resultaat, is de concrescence ook alleen als geheel (dus temporeel ongedeeld) te begrijpen. Temporele deling zou namelijk niet redelijk te begrijpen stukken opleveren, omdat het doel dan uit het vizier is. 5. De voorbije actuele entiteiten functioneren, overeenkomstig het 'principle of relativity' (een van de verklaringscategorieën!), ten aanzien van de concrescence in kwestie als aanbod van potentialiteit, dat wil zeggen ze functioneren als aanbod van opneembare elementen. Ze worden door Whitehead als werkoorzaken beschouwd. De wordende actuele entiteit in kwestie neemt ten aanzien van dit aanbod beslissingen (decisions) op grond van haar eigen subjectieve doel. Dat doende wordt ook het doel steeds meer bepaald, omdat allerlei mogelijkheden worden weggesneden (de-cisie). 6. De actuele entiteit is tegelijk subject van haar wording, doel en resultaat van dat wordingsproces, als ook dat wordingsproces zelf. 7. Er zijn concrescencefasen te onderscheiden, maar tegelijk geldt, dat het wordingsproces temporeel ondeelbaar is (met dank aan Palmyre Oomen voor deze zeven punten).
Dit alles overwegende ligt de conclusie voor de hand, dat Whitehead zijn inzet niet kiest bij het essentialisme en ook niet bij het existentialisme, maar bij een concrescencialisme, een wordingsdenken dus. Het behoeft geen betoog, dat filosofen in de geschiedenis van het denken zo hun eigen voorkeuren hebben gehad op dit punt. Wie als leerling van Plato zijn inzet kiest bij de eeuwige essenties (ideeën) heeft natuurlijk wel weet van het worden, maar zal dat afdoen als een schaduwbestaan van voorbijgaande aard. Aristoteles koos al gelijk een andere inzet toen hij met behulp van zijn hylemorfisme en entelecheia probeerde te omschrijven wat kenmerkend is niet voor de ideeën maar voor de concrete werkelijkheid, zoals die voorhanden is. Heraclitus (panta rhei) nam zijn inzet niet bij het wezen der dingen of het bestaande, maar bij het ‘eeuwige worden'. Welke inzet heeft de voorkeur? De geschiedenis van het denken toont ons op dit vlak een eindeloze discussie. Daarvoor behoeven we alleen maar te herinneren aan de universaliënstrijd in de middeleeuwen tussen realisten en nominalisten of het existentialistisch protest van Kierkegaard tegen het essentialisme van Hegel. En dan zijn daar ook nog de existentialisten uit de twintigste eeuw die geen genoegen namen met de eeuwige wezenheden, maar met behulp van de fenomenologie probeerden door te dringen tot het zijn van de zijnden.
Hoe staat Tillich in dit alles? Hij spreekt zijn voorkeur uit voor het Idealisme en zegt dat hij nooit verleren zal wat hem uit deze school is meegegeven. Idealisme (als eenheid van denken en zijn; Parmenides!) is echter niet hetzelfde als een essentialistische wezensfilosofie waarin de zijnden op voorhand met hun ware zijn verzoend zijn (Hegel). Daarvan is Tillich een verklaard tegenstander. Niet Hegel, maar de latere Schelling met diens existentialistisch protest is de blijvende inspirator van Tillich geworden. De oorlogservaringen uit WO I betekenden voor hem bovendien het einde van een naïef negentiende eeuw idealistisch denken. Hij omarmde het existentialisme als de natuurlijke bondgenoot van het Christendom. Langs de weg van de korrelatie kwam hij tenslotte uit bij de synthese van het essentie- en existentiedenken. "Essentialistische und existentialistische Elemente sind ‘Abstraktionen' und für sich allein genommen notwendige Vereinseitungen, die aber in der philosophischen Reflexion einfach nicht umgangen werden können. In der Realität des dynamischen ‘Lebens' sinds sie immer untrennbar miteinander vermischt." (zie: Sturm Wittschier, Paul Tillich, S. 26 met noten).
Tillich neemt een middenpositie in tussen het essentie- en existentiedenken. Komt hij daarmee bij Whitehead langszij gezien diens belijdenis van de concrescence als derde weg tussen de essentie en existentie? Dat valt nog te bezien. Tillich laat zich nergens positief uit over het procesdenken. Het helpt ons wellicht als we in dit verband eens met elkaar nadenken over de opmerking die Tillich maakt aan het begin van SyTh III. Daar grenst hij zijn denken af tegen dat van Whitehead door eenvoudig te stellen dat zijn begrip ‘Leben' (waarvan SyTh III vol is!) omvattender is dan Whiteheads begrip ‘process'. Heeft hij daarmee Whitehead en het procesdenken werkelijk succesvol buiten haken gebracht of is dat iets te kort door de bocht? Ik verheug me op het vervolg van onze discussie. Leo vertelt ons over het ‘wat', ‘wanneer' en ‘waar'. Tot dan.